Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groute, ronde blaasjes, waai tusschen zich schubvormige ligchaampjes bevinden. Slechts in het midden lagen vezels. Bij embryones van 8 " lengte was de vezelkern grooter; zij breidt zich des te meer uit, naarmate het foetus ouder wordt. De schubvormige ligchaampjes houdt Valentin voor overgangen van de blaasjes tot vezels. Zij ontstaan daardoor, dat de korreltjes eene overlangsche rigting aannemen en ineensmelten. Nog bij volwassenen nam Yalentin sporen waar van insnoeringen op de plaatsen, waar zij aan elkander waren gehecht. Bij dieren, op het tijdstip der geboorte , bestaan de buitenste vezels uit duidelijk te onderscheiden korreltjes; eerst meer naar binnen worden zij gelijkvormiger en vaster. De grootte der korrels bedroeg in de vierde maand 0,0024 "—0,0048'", in de vijfde 0,006"', de dikte der vezels gemiddeld 0,0056"'. Eveneens zag Werneck de cellen (hij noemt ze vruchtkorrels) der lens zich rozenkransvormig rangschikken en tot vezels aaneengroeijen (1). Ik houde, uit analogie, deze voorstelling voor juister dan die, welke Sciiwann (2) gegeven heeft, volgens welke elke cel zich onmiddellijk in eene vezel zou verlengen. Daarmede is ook in tegenspraak de door Schwann zelf medegedeelde en door Valentin bevestigde waarneming, dat aan de vezels nog meer kernen voorkomen. Volgens eene latere opgave van Yalehtin (5), zouden de vezels zich door fijne lijnen nog verder in fibrillen verdeelen. Eene dwaling is hier zeer ligt mogelijk, daar men doorschijnende, diepere lagen voor afdeelingen in eene hoogere houden kan. Aangaande de eerste vorming der cellen zelve ontbreekt het aan onderzoekingen; evenwel verdient het vermelding, dat Sciiwann bij oudere embryones van hoenders grootere cellen zag, die een-of twee kleinere cellen binnen in zich bevatteden. (4)

(1) v. AmmOn's Zeitsclir. V, 414.

(2) Mikrosh. Unters. S. 100.

(3) R. Wagnf.r's Phys., I, 138.

(4) Om te ontdekken of de vezels der lens, gedurende den groei van dit orgaan, in breedte, dan wel in aantal toenemen, bepaalde Harting (Recherches mier ométriques p. 57) eerst bij eene zeer zwakke vergrooting de doormeting der lens, vervolgens bij eene sterkere vergrooting de doonneting der vezels aan den omtrek der kristallens. De doormeling der lens diende om baren omvang te leeren kennen, en dit getalgedeeld door de breedte der vezels, gaf het aantalder

Sluiten