Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zouden varikeuse buizen liggen, dunner dan die in de eigenlijke retina, en met minder duidelijke opzwellingen (de vezellaag). Het diepst gelegen zou er eene voortzetting van de vaatplaat der retina op volgen.

Men moge nu deze korrels en vezels aan de zonula toekennen, of aan liet netvlies, en eene onzigtbare zonula daaronder aannemen, dan is de thans zoo algemeen verspreide meening, dat de zonula over de voorvlakte der kapsel heengaat, even onaannemelijk. De kapsel is een volkomen gelijkvormig vlies. Toen ik de anastomoscs van de vaten der zonula met die van de membrana capsulo-pupillaris bevonden had, maakte ik reeds het besluit daaruit op, dat de zonula aan den rand der kapsel moest ophouden, daar zij anders den eapsulo-pupillair-zak doorbreken zou. Arnold bestreed daarentegen het bestaan van het capsulo-pupiUair-vlies, omdat de corona ciliaris over de voorvlakte der lens heengaat. Hij ontleedde den voorsten kapsel wand in twee lamellen (Auge des Menschen, S. 110); Baerens verdeelde ze zelfs in drie (Monographia lentis crystallinae, §9), en zonder twijfel zouden er nog meer kunnen worden bereid, indien onze instrumenten fijner waren.

OVER HET BINDWEEFSEL.

Met den naam bindweefsel, tela conjunctiva, anders ook celweefsel (1), vormweefsel (2), duiden wij het weefsel aan, dat nagenoeg op alle plaatsen de openingen tusschen weefsels van eene meer bepaalde, physiologische beteekenis aanvult, en aan de oppervlakte van het ligchaam en van deszelfs holten, als ook aan den buitensten omtrek der organen, zich tot inhullende weefsels verdikt. Om deszelfs algemeene verspreiding, om de gemakkelijkheid, waarmede het op nieuw wordt gevormd, en om het geringe aandeel, dat het aan de hoogere dierlijke verrigtingen schijnt te nemen , heeft men het onder de zoogenaamde georganiseerde, dat is met bloedvaten en zenuwen doortrokkene weefsels de laagste plaats aangewezen, en in dat opzigt komt het aan de hoornige weefsels het meest nabij.

MAAKSEL.

De laatste elementen van het bindweefsel zijn lange en zeer fijne, weeke en waterheldere draden of cilinders of fibrillen van overal ta-

(1) Dezen naam verwerp ik om de toespeling op eene zarnenstelling uit cellen en om de bijzondere beteekenis, die de naam cellen in den jongsten tijd heeft verkregen. Den naam bindweefsel beeft J. Muller voorgesteld, Physiol. (, 450.

(2) Draadcilinderweefsel (Valentin) 7., Wagner's Handwörterb. I, 667.

Vert.

II. 3

Sluiten