Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*

ten. De eenè, die ik de echte sereuze vliezen noem, zijn aan hunne vrije oppervlakte rnet een plaveisel-epitheiium overdekt, aan de andere, onechte, membranae pseudoserosae, ontbreekt dit overtreksel. Allen dienen om de grenzen uit te maken van holten binnen in het ligchaam, die óf ledig en aan de wanden vochtig, óf met grootere hoeveelheden vloeistof gevuld zijn. De meesten vormen volkomen geslotene zakken.

a. Tot de onechte sereuze vliezen of zakken behooren de slijmbeurzen der spieren, pezen en huid. Het zijn eenvoudige en dunwandige, rondom geslotene zakken, met eene waterige of ook taaije en slijmige vloeistof gevuld, en uit digt bindweefsel gevormd. Men kan ze als bindweefselcellen beschouwen, die deels door vernietiging van tusschenwanden, deels door het opeendringen daarvan, vergroot zijn. Inderdaad vindt men ze nu en dan met draden en plaatjes, sporen van tusschenwanden, doortrokken. Zij komen voor tusschen spieren en beenderen, wanneer spieren over beenkanten heenglijden (b.v. aan den musc. iliacus interims) tusschen pezen en beenderen, in den hoek, welken het inplantingsuiteinde der pees met het been vormt, en onder de huid, waar deze over beenuitsteeksels wordt heen bewogen (bursa mucosa olecrani, pa/ellae) (1). Somtijds hangt de holte der slijmbeurs met de holte van een gewricht zamen, en misschien zet zich alsdan het epithelium van het gewricht in de slijmbeurs voort (2).

b. De ware sereuze zakken bezitten grootendeels een zamengesteld beloop. Om hare beschrijving, zoo als zij heden ten dage voorgedragen wordt, te verstaan, is het noodig, de zaak eenigzins uitvoeriger te behandelen.

Binnen in het ligchaam bevinden zich geslotene holten, waarin organen liggen , die hunne ligging ten opzigte van elkander en van de wanden der holte veranderen. Zoo Avel de wanden naar binnen , als de organen aan hunne buitenvlakte, zijn glad en vochtig en met eene laag van epitheliumcellen bekleed. Daar de holte gesloten is, hangt de epitheliumlaag der orgauen met de epitheliumlaag der wanden onafgebroken zamen, en beide vormen een een-

(1) Schreger , De lui sis mucosis suivu/tineis. Erl. 1823, fol.

(2) Verg. de noot op bi, 45. Yert.

Sluiten