Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangemerkt, eenen gesloten zak vormen. Zij houdt echler niet op, een sereus vlies te zijn, wanneer de zak zich op de eene of andere plaats naar buiten opent, hetgeen, zoo als bekend is, met den buikvlieszak aan de inwendige opening der trompetten bij de vrouw het geval is. Evenmin als echter het gesloten zijn een wezenlijk kenmerk van sereuze vliezen is, even zoo min moet ook elke geslotene holte met een sereus vlies bekleed zijn, zelfs niet wanneer zij met serum is gevuld. In de slijmbeurzen ontbreekt, zoo als vermeld is, de opperhuid (1), en in de oogkamers bezit de achtervlakte der cornea een epithelium zonder bindweefsel, de voorvlakte der iris bindweefsel zonder epithelium, en op het-pigment der uvca en den voorsten wand der lenskapsel ontbreken beide. Of deze of .gene vlakte met een sereus vlies bekleed is, kan geen onderwerp van vermoeden en strijd meer zijn. Deszelfs beide lagen kunnen, waar zij voorkomen, mikroskopisch worden aangetoond (2).

Tot de sereuze vliezen behooren, onder de hier opgegevene bepalingen de synoviaalkapsels, het borstvlies, het hartezakje, liet buikvlies, het scheedevlies der ballen, het spinnewebvlies van hersenen en ruggetnerg (5). Ook de plexus choroïdei bezitten een

(1) Verg. de noot op bl. 45. Yert.

(2) Uit de beschouwing van liet ontleedkundig maaksel der sereuze vliezen verklaart zich het pathologische feit, dal hunne afzonderlijke deelen in eene veel naauvvere sympathie met de organen slaan, die zij overtrekken, dan met elkander. Terwijl een sereus vlies van los bindweefsel op een fiiireus vlies of een kraakbeen overgaat, verandert het ook deszelfs anatomisch karakter5 ginds is het ujk, hier arm aan vaten en zenuwen. Van daar het in het oog loopend verschil in de verhouding van het synoviaalvlies, waar het de kapsel en waar het het kraakbeen overtrekt. Ginds kan het ontstoken en verdikt zijn, terwijl het hier deszelfs normaal voorkomen onveranderd behoudt.

(3) En sommige slijmbeurzen , verg. de noot p. 45. Vert.

De door Aiïnold aangenomene arachnoïdea van het oog [dus Ange des Venschen, S. 33), die de buitenvlakte der choroïdea en de binnenvlakte der sclerotica zou overtrekken, beslaat niet. Tusschen beide vliezen loopen talrijke bindweefselbundels, die hij dieren zeer vast eu dik zijn, hij menschen echter, ten minste op den tijd, waarop de oogen kunnen worden onderzocht, teer en los. In liet bindweefsel liggen pigmentcellcn en cellen van onrijp bindweefsel, die ook mij vroeger verleid hebban in ARNOLD'S meening te deelen (AIUlirR's Arcliiv, 1333, S. 116).

Sluiten