Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vaten aanwezig, en dient het slechts om eene vlakke uitspreiding dezer laatsten te dragen en te bevestigen. De vaten zijn niet tot voeding der vliezen zelve bestemd, waarin zij zich verspreiden, maar dienen voor andere werktuigen, aan wier oppervlakte zij geplaatst zijn. Yan de beide genoemde vliezen gelijkt echter de pia maler meer aan het beenvlies, daar de vaten zich in haar op het fijnst verdeelen, om in capillaire stammetjes aan de oppervlakte der centraalorganen daar binnen in te dringen. De choroïclea gelijkt aan de culis: zij draagt de geheele vaatuitbreiding alleen; geen stammetje treedt buiten hare oppervlakte uit, en zoo verhoudt zij zich in denzelfden zin als matrix tot het zwarte pigment, als de culis tot de epidermis. De pia maler hangt dien ten gevolge met de hersenen door vaten onafscheidbaar zamen ; de choroïdea is slechts met het pigment aaneen gekleefd, en wordt door maceratie van hetzelve gescheiden. Beide zijn ook door haar maaksel onderscheiden , daar de pia mater, die uit afzonderlijke bundels los is ineengeweven, digter het vormloos bindweefsel nabij komt, terwijl de choroïdea daarentegen een digt, vast en glad vlies daarstelt.

Uit hetzelfde gezigtspunt als de vaatrijke vliezen zijn ook de plexus te beoordeelen, die daarmede in verband staan, in de hersenen de plexus choroidei, in het oog de processus ciliares, met dit onderscheid alleen, dat de vaten hier nog meer overwigt over de verbindende stof bezitten. De vaatrijke vliezen zijn vaatuitspreidingen, die de oppervlakte bekleeden; de plexus zijn digte vaatkluwen, die in holten indringen. Over deze laatste zal bij de beschrijving der bloedvaten uitvoeriger sprake zijn.

Na de beschrijving der afzonderlijke, uit gevormd en niet zamentrekbaar bindweefsel gevormde organen moeten wij nog het een en ander omtrent deszelfs vaten en zenuwen in het algemeen in het midden brengen. Met uitzondering van de zoo even vermelde gevallen, waarin het bindweefsel de drager van vaten voor andere organen is, is het aantal der vaten nooit zeer groot en vrij wel in omgekeerde verhouding tot de vastheid der weefsels. Zij zijn het geringst in aantal in de pezen en fibreuze vliezen, talrijker in de sereuze vliezen, het talrijkst in de tunica nervea, die echter ook in physiologische beteekenis reeds meer aan de vaatrijke vliezen nadert. Zoo is ook het gedeelte van het synoviaalvlies, dat

Sluiten