Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zulke dwarse rimpels verkrijgt, als ia de scheeden der xennwen «orden waargenomen. ScHWANN vond vroeger (Berl. encyclop. Wörterl. Art.Gefasse, 1830, S. 217) cel- en peesweefcel daarin eeriigermate van elkander onderscheiden, dat de vezelige structuur der bundels bij de pezen terstond, bij liet bindweefsel eerst na eenigen tijd en na behandeling met water duidelijk werd, en dat de vezels in de pezen misschien iels donkerder en minder gekronkeld waren. Later (MtkroskUnters. I8S9, S. 148) brengt hij liet onderscheid terug tot de hoeveelheid van het cvtoblastema, die in het vormlooze bindweefsel grooter is, en eindelijk gee t hij toe, waarin ik zeer met hem instem, dat het onderscheid tusschen vezels van liet celweefsel van verschillende plaatsen enz. zoo groot is, als tusschen de meest fewone peesvezels en de menigvuldigste celweefselvezels. Gerber (t. a. p. S. wil een mikroskopisch onderscheid tusschen de peesvezels en de vezels van het contractile bindweefsel hebben opgemerkt. De laatsten zouden zich namelijk door eene cenigzins dikkere doormeting, eene roodachtige kleur en »eene bijzonde.e soort van doorschijnendheid" eigenaardig kenmerken.

De kernvezels van het bindweefsel zijn tot op den jongsten tijd over liet liooM gezien of de bovenvermelde, door kiucsE waargenomene klompjes moesten daartoe te breneen zijn. Wel spreekt Leeuwenhoek op vele plaatsen van spiraalvormige omwindingen der pezen en beeldt ze zelfs af [Opera, II, f123 fig. 2); 1liet is echter ligt te zien, dat hij slechts de golfvormige bogten bedoelt. De dikkere, zonder behandeling met azijnzuur ziglhare kernvezels, die reeds aan de clastisc ie naderen en niet wel gestreng daarvan zijn af te scheiden, hebben ScB™ en HüLENBERG (t. a. p. S. 16 , 20) als elementen van het elastische weefsel beschreven , die hier en daar in het bindweefsel verspreid zouden voorkomen

De geïsoleerde, nog niet tot vezels ineengesmolten kernen beschreef ik het eers aan de tunica adventitia van de vaten der hersenen als kernen van een cpithelium, dat de vaten in de hcrsenzelfstandigheid zou vergezellen (MullER's Arcluv,

1838 S. 118). Kemak zag ze voor gedeelten van organische zenuw vezelen aan

(Sust' nerv. structura, 1838, p. 25). De verschillende beteekemssen, die er later aan werden toegekend, heb ik reeds in het algemeene gedeelte opgegeven. Gerber beeldt, Taf. VI, Fig. 10G, cc, eenigzins onnaauwkeung een net af, dat de van het neurilema uitgaande varikeuze celstofvezels (kernvezels) in de mazen tusschen de eindtakken der zenuwen zouden vormen. De ruimten, ie in < e aanbe ïaa a beelding door het net der varikeuze vezels zouden worden ingesloten, sclnjnen mij toe overdwarse doorsneden van bindweefselbundels te zijn.

Sluiten