Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

donkeren omtrek der vetcel nog een smallen, lichten zoom op (lig. 12, A); maar het is onmogelijk zich te verzekeren, dal deze niet het resultaat eener optische misvatting is. Bij een rhachitisch kind vond Schwann (1) intusschen het celvlies nagenoeg zoo dik als het bloedligchaampje van eenen mensch breed is. Wanneer het dik is, dan ligt er eene celkern van eenen ronden of ovalen vorm, nu eens afgeplat, dan weder niet, in de dikte van den wand. Zeer dikwijls is de wand op do eene of andere plaats heuvelachtig gezwollen, en op deze plaats ligt de kern, of sporen van haar (fig. 12, Ca). Somtijds komen er twee kernen voor; dikwerf ontbreekt ook de kern geheel en al. Bij hare opslorping blijft er aanvankelijk eenige korrelige zelfstandigheid op hare plaats over, die eindelijk ook verdwijnt, of er vormen zich binnen in de kern of in haren omtrek kleine vetdroppels, die steeds meer toenemen (Schwann) (2).

Somtijds zag ik in menschen-lijken aan sommige vetcellen een of twee eigenaardige stervormige figuren, digt onder de oppervlakte der cel (fig. 12, B,D,E). Van een middelpunt gaan in alle rigtingen langere of kortere stralen uit, nu eens over de halve oppervlakte der cel, dan weder slechts over een klein gedeelte van haar, naarmate de cel grooter of kleiner is. De stralen zijn somtijds afgebroken, met kleine korreltjes vermengd, en steeds zijn er daarvan verscheidene, als het ware als voortzettingen der stralen, aan de uiterste punten dezer geplaatst. Deze figuren bezitten eene geelachtige kleur; zij zijn vliesvormig plat, zoo als men ziet, wanneer men de cel van ter zijde beschouwt, dan vormen zij eene uitpuiling aan den tand. Zij zouden wel metamorphosen van de celkern kunnen zijn, doch bezitten meer overeenkomst met kristalvormige nederzettingen. Ik zou ze voor stearine-krislallen houden, maar zij schijnen in aether onoplosbaar te zijn. In azijnzuur blij-

(1) Dlikrosk. Luiers., S. 140.

(2) II. C. B. Bendt (Haandbog i djr al nu u de li ge Anatomie wed. saerligt liensyn til Mennesket or/ lïunsdijrene, 1846, p. 122) merkte aan de veleellen dikwijls een klein rondaclitig" punt op, dat veel overeenkomst bevat met een kernligchaampjc; zeldzaam zag; I»ij eene, zeer zelden zelfs 2 blijvende, roridaclitige kernen, die van kcrnligcbaampjes voorzien waren (verhel. IIenle, in Canstatt's Jahresb. 1846, p. 01). Vert.

Sluiten