Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sprong betreft, wezenlijk van de lymphe, want terwijl de chylvaten uit den inhoud van het darmkanaal, de door speeksel, maag- en alvleeschsap en gal opgeloste voedingsmiddelen opnemen, krijgen de lymphevaten hunnen aanvoer uit de deelen van het plasma des bloeds, dat uit de bloedvaten is uitgestort, misschien ook uit opgeloste en vloeibaar gewordene gedeelten van het parenchyma. Daar intusschen de chylvaten gelijktijdig de lymphevaten van het darmkanaal en ook bij nuchtere dieren met ecne heldere, doorschijnende, naar het geelachtige zweemende vloeistof gevuld zijn (1), zoo worden reeds terstond chyl en lymphe met elkander vermengd. De lymphe krijgt des te meer de overhand, naarmate de opslorpende vaten zich verder van het darmkanaal verwijderen, totdat eindelijk in den duclus tlioracicus het chyl met de lymphe van nagenoeg alle ligchaamsdeelen bijeenkomt. Om de eigenschappen van het chyl te leeren kennen, moet men het derhalve zoo digt mogelijk bij de plaats zijner opslorping onderzoeken, of de inhoud van den ductus tlioracicus ten tijde der spijsvertering met dien, welke er na een lang vasten in gevonden wordt, worden vergeleken. Reeds door de allengs toenemende bijmenging van lymphe moet de inhoud deiopslorpende vaten van het darmkanaal naar den ductus tlioracicus allengs worden veranderd. Het schijnt echter, dat ook in de vloeibare en vaste stoffen van het chyl zelf eene langzame metamorphose plaats heeft, waardoor het eerst meer aan de lymphe en eindelijk meer aan het bloed gelijk wordt, eene metamorphose, waarvan wij de oorzaken later zullen nagaan.

Om de bloedvorming van het begin af na te gaan, moeten wij met de beschrijving van het chyl beginnen. Daar wij echter nergens chyl zonder lyinphe, maar wel lymphe zonder chyl kunnen waarnemen, zoo is het doelmatiger, eerst de lymphe te leeren kennen, om daarna te zien, welke eigenaardige eigenschappen van den inhoud der chylvaten op rekening van het bijgemengde chyl komen.

1. Lymphe.

Men verkrijgt deze vloeistof uit de doorgesnedene lymphevaten

(1) Tiedemaïw en Gjielin, Verctauung, II, 7G.

Sluiten