Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een pas gevoed paard 0,48 pCt., in nagenoeg heldere chyl na afgeloopen spijsvertering 1,50 pCt. vezelstof. De heldere chyl

voeging van valer kunstmatig voortgebragt; de andere regelmatige kunnen weder in twee soorten worden verdeeld, de kogeltjes (Globulins), zeer klein, kleurloos, half doorschijnend, spaerisch en glad, en de kogels (Globules), rond en plat, met verscheidene kernen voorzien, kleiner dan de blocdligchaampjcs.

Volgens II. Muller (t. a. p.) zijn de eigenlijke chyl- of lymphe-ligchaampjes hl eek, witachtig, matglinstercnd, fijn korrelig, met niet zeer scherpe, eenigzins oneffene, het licht niet sterk brekende omtrekken. Hunne gedaante wijkt zelden veel van den korreligen vorm af; hunne grootte beweegt zich meestal tusschen

0.002 0,004 ' ; er komen echter ook kleinere en veel grootere voor; de grootste

ligchaainpjes zijn menigvuldiger in de fijne vaten dan in den ductus tlioracicus, w'aar bepaaldelijk ligchaampjes van eene gemiddelde grootte worden aangetroffen. Eenige malen was het opmerkelijk, boe aan den eenen kant ligchaampjes van de grootte van 0,0022—0,0027, aan den anderen van 0,0038—0,004"' menigvuldig voorkwamen, terwijl die van eenc gemiddelde grootte slechts zeldzaam werden gevonden. De hoeveelheid der chylligchaampjes neemt van de takken naar de stammen toe; uit zeer fijne, nog aan den darm onderbondene vaatjes kreeg Hiili.kb meermalen chyldroppels, die gccne of slechts enkele ligchaampjes bevatteden; in het verder beloop door het darmscheil zijn de chylligchaampjes spaarzaam cn slechts bij uitzondering onmiddellijk voor de klieren in even zoo grootc hoeveelheid aanwezig, als daar acliter; in den ductus tlioracicus doen zij zich door de bijmenging van lymphe, die armer aan ligchaampjes is, weder iets minder talrijk voor.

In zeer vcrsche chyl zijn van de korreltjes geene kernen en omhulsels te onderscheiden ; door eene langzame bijvoeging van water zwellen zij echter eerst op, worden donkerder, gladder en meestal kogelig, wanneer zij het vooraf niet waren, cn daarna vormen er zich allengs enkele lichte punten aan den omtrek , door welker ineenvloeijing een lichte ring ontstaat, die datgene, vat nu kern moet worden genoemd, insluit. De kern ligt dan óf in het midden, ór, hetgeen menigvuldiger "voorkomt, excentrisch aan het omhulsel; zij is aanvankelijk niet kleiner, misschien eer grooter, dan het oorspronkelijke ligchaampje m zijn geheel; later •«ordt zij nagenoeg steeds kleiner. Zij is aanvankelijk graauwachtig, ligt korrelig, doorschijnend, en wordt later donker, ondoorschijnend cn duidelijker korrelig, zoodat men één punt of 2—4, maar ook G—10 en meer, duidelijk ziet tevoorschijn treden. Dikwijls en bij eene langzame cn aanhoudende inwerking van water veranderen zich in de chyl enkele kernen, die reeds vroeger een scherper en meer glinsterend aanzien bezaten, in kleine, gladde, geelachtig glinsterende, gelijkvormige, meestal volkomen ronde ligchaampjes, die naar vetdroppels gelijken. Tusschen deze gladde en de gewone, korrelige kernen komen alle mogelijke middeltrappen voor; maar wanneer er door eenc snelle inwerking van het vater korrelige cellen ontslaan zijn, worden zij door eene voortgezette behandeling

Sluiten