Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een nuchter paard bevatte echter slechts 56 pCt. Het drooge overblijfsel van het serum der chyl, dat uit den duclus thoracicus

met water -wel gladder, maar niet meer volkomen gelijkvormig. De duidelijkheid en dikte der omhulsels, die door water worden voortgebragt, verschillen zeer: cenige zijn naauwelijks bij getemperd licht waar te nemen; andere bezitten dikke omtrekken: de eene kan men naauwelijks als eene lijn om de kern herkennen, de andere zijn 3-—-4 malen zoo dik als de oorspronkelijke doormeting. Even zoo afwisselend is hunne resistentie: vele blijven in water uren lang onveranderd; vele lossen zich, naauwelijks zigtbaar geworden, weder op, of bersten, en laten dan lichte droppels naar buiten treden, die zich allengs ten koslen der cel vergrooten, de kern ineendringen, en zich ten laatste van haar afscheiden, of oplossen en verdwijnen. Dezelfde veranderingen als het water, maar sneller, roept verdund azijnzuur in het leven; zaïnengedrongen azijnzuur lost de omhulsels op, eer zij nog door afscheiding van de kern regt duidelijk geworden zijn; de kern zwelt niet op, maar wordt terstond iets kleiner, sterk korrelig, met scherpe maar onefTene randen. Op dezelfde wijze wordt zij door wijngeest en verdunde mineralen zuren aangedaan. Zelden worden de kernen in azijnzuur geheel en al glad en glinsterend. In chyl, die met aclher was geschud , vertoonden de ligebaampjes zich zonder omhulsel, glinsterend; door verdunde loogen werden bleeke kernen zigtbaar, die vervolgens met het schijnbaar berstende omhulsel plotseling verdwenen.

Er is een aantal ligebaampjes in de chyl, die van de tot nog toe beschrevene afwijken; in de eerste plaats en het menigvuldigst die, welke in alle eigenschappen met de boven beschrevene korrelige kernen overeenkomen, maar in water geen omhulsel krijgen; daarvan worden er grootere en kleinere gevonden tot 0,004"', terwijl ook aan de kleinste, ligchaampjes dikwijls zeer duidelijke omhulsels ontstaan. Welke ligebaampjes een omhulsel verkrijgen, en welke zonder omhulsel blijven zullen, laat zich vóór de bijvoeging van water niet uitmaken. Verder komen er, meestal in ligebaampjes van meer dan gemiddelde grootte, afwijkende kernvormen voor, langwerpige in ronde of ovale omhulsels, halve maan- en Zi'ie»!«-vormige of geheelerial onregelmatige, de laatste vooral in niet versche of geperste chyl. Ilicr en daar komen er ligchaampjes met en zonder omhulsel voor, die uit kleine en groote, aan den rand uitstekende korreltjes zijn zamengesteld, alsmede omhulsels, waarin, in de plaats der kern, slechts enkele, van elkander afgescheidene korreltjes bevat zijn; eindelijk, maar zeer zelden, omhulsels met 2—3 of meer duidelijke, geheel gescheidene kernen van verschillende grootte, die nu en dan, in ovale ligebaampjes, wijd uiteenliggen. Al deze vormen schijnen niet gemakkelijker door water of door azijnzuur te ontstaan, en de vormen, die het water in bet leven riep, werden door azijnzuur niet wezenlijk veranderd, namelijk niet verder ontleed.

Wat nu de verdceling van deze soorten van ligchaampjes in het watervatenstelsel betreft, zoo werden de omhulsels betrekkelijk bet meest in de fijnere vaten van het mesentcrium gemist; die er gevonden worden, 'zijn voor een gedeelte onduidelijk en bieden aan uitwendige invloeden niet lang tegenstand; de naar

Sluiten