Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(fig. 1, D, e); (laarbij schijnt ook de omvang dikker te worden dan het centrale gedeelte. Op den rand geplaatst, zijn zij nu eens halvemaanvormig (c, q), zeldzamer biconcaaf (</), van de vlakte echter gezien met eene zoo duidelijk omschrevene middelste plek of kern (a, b) voorzien, dat men het proces in zijn ganschen zamenhang moet hebben opgevat, om niet in dwalingen te vervallen. De kern of plek is niets anders, dan het uitgeholde en gelijktijdig verdunde centrum der schijf, dat zich, naar de plaatsing van het mikroskoop, licht of donker voordoet. Brengt men, wanneer de bloedbolletjes dezen vorm bezitten, eene grootere hoeveelheid water of azijnzuur daarbij, dan zwellen zij op, en het voorkomen van eene kern verdwijnt. Eerst wordt slechts het omhulsel door het indringende water uitgezet, naar boven opgeheven en dikwijls zeer duidelijk over de uitholing heengespailnen, terwijl de taaije, gekleurde inhoud nog zijnen vroegeren vorm behoudt, of zich in afzonderlijke droppels scheidt; allengs wordt het mengsel gelijkmatig, de bloedligchaampjes worden rond, dikker en in gelijke mate bleeker. Bij eene voortdurende behandeling met azijnzuur of water worden zij volkomen doorschijnend en schijnen op eens te verdwijnen; nog langen tijd ziet men echter, bij eenige inspanning, den objectdrager met fijne, kringvormige lijnen, overeenkomende met de omtrekken der bloedligchaampjes, bedekt. Zelden verkleinen zich de ligchaampjes, krijgen zij scherpere omtrekken en worden zij kogelrond. Dit scheen plaats te grijpen, wanneer ik ze met keukenzout en daarna met azijnzuur behandelde. Bij het beschreven proces van metamorphose en oplossing,, dat ik naar welgevallen door bijvoeging van water of van zout kon bevorderen of tegenhouden (ik heb hetzelfde bloedligchaampje meermalen na elkander afwisselend rond en weder plat gemaakt), heb ik toch nagenoeg geen spoor van kern te zien gekregen ; de oplossing was volkomen (1). Somtijds nam ik in de schil, nadat zij door water of azijnzuur was opgezwollen, 2 of 3 verspreide, puntvormige korreltjes waar; maar ook deze schenen niet ovei te-blij

(1) G. Zimmermam (Rüst's Magazin, lid. I,XVf, Heft 2, 1817, S. 202) heeft onder de gekleurde bloedligchaampjes van den menscli nooit kcrnliondende aangetroffen , ook niet na groot bloedverlies of in de reconvalescentie na lievige ziekten. Vert.

10"

Sluiten