Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deelte door het filtrum gaat, maar het grootst gedeelte achterblijft, of door uittrekking van den bloedkoek met water (1). In het eerste geval is men zeker van slechts opgezwollene bloedligchaampjes te verkrijgen; in het laatste geval zou volgens Berzelius het bloed-

(1) Dmias (Arclrives d'anatomie, 1846, Mei, p. 181) heeft opgemerkt, dat na eenigen tijd de vloeistof aanvankelijk licht, later sterker gekleurd, doorloopt, en doet gelijktijdig een middel aan de hand, om de bloedligchaampjes gedurende eeneu langeren tijd onveranderd op het filtrum te houden, namelijk door aanhoudend een stroom dampkringslucht er door te leiden. Hieruit maakt Ddmas het besluit op, dat de bloedligchaampjes leven en respireren, dat zij, zoo lang zij ademhalen en levend zijn, hunnen vorm behouden en aan den invloed van zouten tegenstand bieden, dat zij echter door dezelfde zouten worden ontleed, wanneer hun leven door onttrekking der lucht heeft opgehouden. Eene soortgelijke meening werd vroeger ook verkondigd doorM. Barrt [Philosoph. Transact., 1811), die na den dood van het dier aan de bloedligchaampjes bewegingen waarnam, die met trekkingen overeenkomst hadden en van snelle vormveranderingen gepaard gingen. De bewegingen, door Barrt waargenomen, verklaarde Nasse (Wagner's Handwörterbuch, I, 1842) voor een verschijnsel derimbibitie. De meening van Ddmas werd door Marchand bestreden. Hij toonde de onhoudbaarheid dezer mystieke, eenen scheikundige slecht staande verklaringswijze aan, en stelde dit met eene proef verder in hellicht; de in eene glauberzout-oplossing bevatte ligchaampjes behielden ook door schudden hunnen vorm en slagaderlijke kleur (zonder twijfel, zegt IIeni.e (Jaliresbericht, 184G, S. G3) kan in het experiment van Dgmas de dampkringslucht door eene indifferente gassoort vervangen worden), en zij behielden die zelfs, wanneer zij in rust bleven, met uitzondering eener laag, die zich op den bodem van het vat nederzette. Uit deze proeven leeren wij derhalve slechts, dat zich zelfs in liet met glauberzout behandelde bloed een donkerrood sediment vormt, dat door liet filtrum niet wordt teruggehouden. Van welken aard dit sediment zij, is slechts door het mikroskopisch onderzoek uit te maken; de benaming »ontlede bloedligchaampjes" is onnaauwkeurig en «verstoorde bloedligchaampjes" is onjuist, want de kleurstof van verstoorde bloedligchaampjes zou zich, daar zij in water oplosbaar is, in het water verdeden. Het is niet eens zeker, dat de ligchaampjes van het sediment zicli anders verhouden, dan die der overige vloeistof, want donkerder moeten zij zich reeds om die reden voordoen, dat zij in eene digtere massa opeen liggen. Onpartijdig meent Henle (t. a. p.) het vermoeden te mogen uiten, dat het sediment uit de door vezelstof-partikeltjes bijeen gehoudene klompjes van bloedligchaampjes bestaat, die zich steeds nog in geslagen en doorgezegen bloed bevinden, en dat liet ook de slijmige vezelstof is, door welks tusschenkomst de ligchaampjes het filtrum passeren. Evenwel mag ook niet uit het oog worden verloren, dat, daar de ligchaampjes van hetzelfde bloed zich niet op dezelfde wijze gedragen en tot verschillende ontwikkelingstijdperken beliooren, ook eenige sneller dan andere in dezelfde zoutoplossing veranderd worden.

VERT.

Sluiten