Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inen. Voegt men bij eene oplossing van bloedrood een droppel azijnzuur, en vervolgens eene ter verzadiging van het zuur nood-

beweren van Schoer, dat de kleurstof door de zuurstof niet veranderd werd. Op deze hoogte bevond zich bet gesel 1 i I tusscben de genoemde geleerden, toen G. Mag nes (I'oCGEKDOr.rï's Annalen, 1845, lid. G6, S. 177), die reeds vroeger zijne aandacht op de in bet bloed bevatte gassoorten gevestigd bad, belangrijke onderzoekingen bekend maakte. Ilij geraakte in cenen wetenschappelijken strijd met Gay Ixssac (Annal. de Chimie et de I'hys. T. XI, p. 5), die zijne proeven en de daaruit opgemaakte gevolgtrekkingen bestreed, op gronden die door Magnus wederom zijn ontzenuwd. Op grond van zijne onderzoekingen neemt MagnüS aan: 1°. de warmte der longen is niet grooler dan die van andere ligchaamsdeelen; 2°. bet slagaderlijko lichtroodc bloed wordt door schudding met koolzuur even zoo donker, als het uit do haarvaten komende aderlijk bloed, waarom het zeer waarschijnlijk is, dat dit laatste ook daar ter plaatse door opneming van koolzuur donker, dat is aderlijk wordt; 3°. in de beide bloedsoorten worden zoowel vrije zuurstof, als vrij koolzuur aangetroffen, de eerste evenwel meer in bet slagaderlijke, het laatste meer in het aderlijke; 4°. de slagaderlijke kleur van het bloed kan niet door eene chemische verbinding van zuurstof met bet bloed, en met name met de haematine veroorzaakt worden, want schudding met koolzuur, hetwelk toch niet desoxyderend werken kan, zou in dat geval het bloed niet weder donker kunnen kleuren , en schudding met dampkringslucht de slagaderlijke kleur niet weder kunnen herstellen; terwijl men bet toch afwisselend kan doen, zoo dikwijls men wil. Iloe kan men zich voorstellen, zegt Magnds, dat bet eenmaal geoxydeerde bloed, zonder gedesoxydeerd te zijn, voor de tweede en derde maal, en zoo dikwijls men w il, weder geoxydeerd zou kunnen worden? 5°. dat het uitgeademde koolzuur niet door oxydatie in de longen gevormd wordt, maar in de haarvaten; en dat het daarin eene grootere hoeveelheid opneemt, dan het bloed onder de in de longen aanwezige drukking ; geabsorbeerd houden kan. Dut bij eene aderlating niet veel koolzuur ontwijkt, zou daarvan afhangen, dat bet bloed in het olgemeen een groot opslorpingsvermogen voor gassen heeft, en dat het in dit geval niet genoeg van alle kanten i met de lucht in aanraking komt. Niet al bet koolzuur zou derhalve in de longen uit het aderlijk bloed ontwijken en bet slagaderlijko een gedeelte daarvan behouden. Uit zijne proeven is dan ook gebleken, dat het slagaderlijk bloed koolzuur bevat, maar minder dan het aderlijk, hetgeen op dcszelfs vorming in de haarvaten heenwijst. Uit vroegere proeven van Magnüs was reeds gebleken, dat de beide | bloedsoorten vrije zuurstof bevatten, die onder de luchtpomp vrij werd. Uit zijne latere proeven bleek duidelijker nog, dat het slagaderlijk bloed meer zuurstof feabsorbeerd bevat, dan bet aderlijke; en wel dat in het aderlijk bloed de zuurstof '|5 tot 'Ij gedeelte van bet daarin gevondene koolzuur, en bet slagaderlijk daarentegen '/3, zelfs */a van het koolzuur bedroeg. Gat-Lüssac is tegen deze proeven en gevolgtrekkingen opgekomen. Volgens zijne berekeningen, steunende op de getallen, die Magncs bad verkregen, zou er in liet slagaderlijke meer koolzuur dan in het aderlijke zijn. Zijne berekeningen bleken echter minder juist ie zijn, en Magnds had niet de absolute hoeveelheid koolzuur, maar slechts I

Sluiten