Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komst met fibrine; het bevat eveneens een vast vet, wordt dooi kokend water insgelijks veranderd, en verbindt zich met zuren op

liet bloed, dat Erech bezigde, heeft plaats gehad. Daarop laat Scüerer eene bestrijding volgen van de meening Tan Brüch, dat de zuurstof zich chemisch met de haematine zou verbinden, op gronden, door Maghds opgegeven. Behalve het voorbeeld van dc werking van stikstofoxydegas op ijzeroxydule zouten, hetgeen 'iIagnüs voor de kleurveranderingen van vloeistoffen door eenvoudige opslorping van gassoorten heeft aangewezen, herinnert Scüerer daarbij, dat ook lacmustincluur, niet koolzuur geschud, van kleur verandert, terwijl door schudding met lucht of zuurstof de oorspronkelijke kleur weder hersteld wordt. Niemand, zegt hij, zal bier eene chemische verbinding als oorzaak daarvan willen vinden. Galkleurstof, in alkalische vloeistoffen geel en in water oplosbaar, wordt door zoutzuur groen gekleurd en nedergeslagen; het nedergeslagene, met water afgewasschen, vertoont, scheikundig onderzocht, geen spoor van zoutzuurgehalte; indien dit eene chemische verbinding geweest was, dan zou bet zoutzuur niet door afwassching met water verwijderd zijn geworden. Dit zijn physisehe veranderingen der vloeistoffen. '

IIenle [Juhresbericht, 1846, S. G4) houdt het, na de belangrijke proeven en resultaten, door Magjiüs en Marcdand bekend gemaakt, ook voor eene uitgemaakte zaak, dat bet koolzuur en de zuurstof met de bloedügcbaampjes of de haematine niet chemisch verbonden, maar slechts in de vloeistof opgelost zijn, en dat ook de kleurverandering der opgeloste haematine niet aan eene in de gewone beleekenis zoogenaamde chemische verbinding, inaar aan eencn geheimzinniger» physiscben invloed is toe te schrijven. Hij stelt daarbij tevens in het licht, hoe Scüerer van deze nieuwe wending der zaak gebruik heeft gemaakt, om voor het laatst over dit punt sprekende cenen, zoo als hij scheen te gelooven, eervollen terugtogt aan te nemen. Scderer scheen daarbij te willen vergeten , dat hij de kleurverandering der baematine-oplossing door gassoorten heeft ontkend, ente wil. Jen doen gelooven, dat hij in het algemeen voor de meening geijverd heeft, dat de kleurverandering van het bloed op physisehe gronden berustte. Brccu heeft eindelijk (Zeilsclir. ƒ. rat. Med. Bd. V, S. 4i0) zijne iheening omtrent de chemische oorzaak der kleurverandering van het bloed zoo goed als opgegeven; hij heeft gezegd, van gecne chemische verbinding, maar van chemische inwerking, van geen geoxydeerd bloed, maar-van »znurstoffig" bloed te hebben gesproken; hij heeft ontkend: 1°. dat de opneming van chyl aan bet bloed eene lichtere kleur zou geven, omdat het bloed in het regler hart niet lichter is dan ander aderlijk bloed, en bovendien de melkwitte kleur der chyl niet van lympheligchaampjes, maar van vetbolletjes afhangt, die voornamelijk in de chylvaten, maar niet in den xductus thoracicus worden gevonden; 2°. dat het omhulsel der bloedligchaampjes wit is, daar de omhulsels in water verdwijnen, zoodra alle kleurstof naar buiten is getreden, en dat de verdikking er van, ook wanneer zij te bewijzen was, geen invloed op de kleur uitoefent, maar wel de concentratie van den gekleurden inhoud; 3°. dat aderlijk bloed meer water bevat dan slagaderlijk, terwijl juist bet omgekeerde plaats heeft. (Z. Simon's Med. Chemie, Ed. II, S. 103). Scherer heeft daarop (Jaliresbericht. 1817, S. 89) spijtig geantwoord :

Sluiten