Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgelost bloedrood of galpigment, geelachtig, groenachtig of roodachtig geel, niet zelden melkachtig, door bijgemengde vetdeeltjes (1).

R. Remak (Unlers. 1855, S. 110) zag in konijnenblocd, behalve de beide aan de cbvl en lymphe eigene kleurlooze cellen, nog twee soorten van ligchaampjes, namelijk de gekorrelde, die verscheidene kernen bezitten , en andere, die na behandeling met water zich als klenrlooze blaasjes, met eene aan den -wand geplaatste, roodachtige, met de bloedligcbaampjes overeenkomstige kern voordeden. Het aantal der kleurlooze ligchaampjes vond Remak over het algemeen grooter in aderlijk bloed dan in slagaderlijk.

Uit de vergelijking der kleurlooze bloedligcbaampjes met de ligchaampjes der lymphe volgt terstond (z. IIenle's Jahresbericht, 134G, S. G5) onze kennis van den oorsprong der eerste. Men is bet eens, dat zij voor bet grootste gedeelte van de lymphe afstammen, en daaromtrent kan men slechts oneens zijn, of niet een gedeelte er van, of een bepaalde vorm, eerst in bet bloed wordt voortgebragt. II. Muller (t. a. p. S. 260) vermoedt dit van de meerkernige kleurlooze ligchaampjes, omdat bun aantal in het bloed betrekkelijk het grootst is op tijden, waarin de minste ligchaampjes door de lymphe aan het bloed worden toegevoegd • daar nog aan bet eind van den ductus thoracicus enkele ligchaampjes van het vroegste ontwikkelings-tijdperk voorkomen, zou eene regeneratie der ligchaampjes in bet bloed niet onwaarschijnlijk zijn. Remak (t. a. p. S. 111) voert de reeds vermelde omstandigheid aan, dat het aantal der kleurlooze ligchaampjes in aderlijk bloed grooter is dan in slagaderlijk, als een bewijs daarvoor, dat in het bloed zelf kleurlooze ligchaampjes kunnen ontstaan. Dat met name de gegranuleerde ligchaampjes, die slechts in het bloed en niet in de lymphe worden gevonden, door verandering uit lymphe-ligchaampjes ontstaan, komt hem onwaarschijnlijk voor, om reden dat de lymphe-ligchaampjes gewoonlijk eene centrale, de gegranuleerde ligchaampjes van het bloed eene laterale kern bezitten. Het bloed van den regter boezem en de longslagaderen scheen hem toe niet meer gegranuleerde, maar meer ware lymphe-ligchaampjes te bevatten, dan het aderlijk bloed.

Iloudt men de vorming van kleurlooze ligchaampjes in het bloed voor zeker, dan heeft men verder te onderzoeken, op welke wijze en waar dat plaats heeft. Met deze vraag heeft Remak zich het meest bepaald heiig gehouden en tot dat einde hoofdzakelijk van waarnemingen aan dieren gebruik gemaakt, bij welke na aanzienlijk bloedverlies het bloed in regeneratie begrepen en de boeveelheid der kleurlooze, met name der gegranuleerde ligchaampjes zeer was toegenomen. II. Muller betwijfelt niet, dat de meerkernige bloedligcbaampjes, even als de lymphe- en ctter-ligchaampjes, vrij in het plasma ontstaan. Remak gelooft aan deze wijze van vorming niet, omdat hij te vergeefs naar kleinere en minder volkomene beginselen van de gegranuleerde ligchaampjes in het bloed gezocht heeft;

(1) Kastner, Das ueisse Blut, Erlangen, 1832. S. 35.

Sluiten