Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dc wezenlijke en bestendige vaste deelen van het plasma zijn de volgende:

1. Vezelstof wordt verkregen door het kloppen van het bloed,

bloedligchaampjc voert Jones aan, dat 1. die kern liet licht sterker breekt dan de bloedligchaampjes, en 2. dat water en azijnzuur de kern niet even als de bloedligchaampjes aandoet. Kr zou dien ten gevolge tusschen beiden een chemisch verschil bestaan; maar er komen overgangen voor, daar de weinig gekleurde hloedligcliaaitipjes in beide opzigten zich soortgelijk als de kernen gedragen, eri, zoo als bekend is, niet eens alle roode ligchaampjes zich even snel in water en azijnzuur oplossen. Deze laatste houdt Jo.xes voor de jongere, en het zal wel eene fout van zijn geheugen zijn, dat hij aan de meeste schrijvers de tegenovergestelde meening toeschrijft.

De vergelijkende en embryologische onderzoekingen, alsmede de waarnemingen over de lymphe (z. de noot op bi. 129) in verband beschouwende, onderscheidt Jones 3 ontwikkelingsphasen der bloedligchaampjes: 1. gegranuleerde cellen; 2. kernhoudende, homogene cellen; deze vormen zich uit de eerste door oplossing der korreltjes en afscheiding van kleurstof; 0. eene phase, die slechts bij de zoogdieren gevonden wordt: vrije, zich allengs met kleurstof vullende kernen.

A. W. HassALI [Tlie microscopie anatomy of the human body in health and disease, 1846, Londón) houdt de bleeke kernhoudende bloedligchaampjes der eijerleggende gewervelde dieren voor latere ontwikkelingstrappen dan de gekleurde, omdat bij de eerste dikwijls veel grooter vond dan de laatste.

Eene waarneming van Ecker (Zeitschrifl f. rat. Medicin, 184", Heft 1, S. 87) heldert dc veranderingen, welke stilstaande bloedligchaampjes ondergaan, en hunne ontleding in fijnere korreltjes, op. Deze fijne, in water onveranderlijke korreltjes namelijk, van 0,0004—0,0008 " doormeting, vertoonden zich dikwijls, vooral wanneer zij ecnigen tijd in water hadden gelegen, door eene hoogst bleeke tusschenslof tot ligchaampjes van 0,0022"' doormeting verbonden. De aanwezigheid eener zoodanige tusschenslof bleek ook daardoor, dat bij liet ronddrijven der korreltjes kring- of halvekringvorrnige groepen daarvan hunne betrekkelijke ligging tot elkander behielden. Daar in hetzelfde extravasaat getande, in water niet meer veranderbare bloedligchaampjes voorkwamen , maakt Ecker hieruit op, dat de kleurstof der laatste in afzonderlijke korreltjes is gescheiden, die, aanvankelijk nog door de overige zelfstandigheid der bloedligchaampjes bijeen gehouden, na oplossing der laatste allengs uiteenvallen. Ilij houdt de haematine-korreltjes voor identiscli met de korreltjes der gekleurde ontstekings-kogeltjes en korreltjescellen. Deze ontstaan uit bloedligchaampjes, die in zeldzame gevallen na de aggregatie vaneenvallen, gewoonlijk echter zich eerst tot kogeltjes opeenhoopen, nadat zij vaneengevallen zijn.

Vincnow (in zijn Arcliiv 1847, Heft 2, S. 379) heeft dezelfde vormen gezien, maar ontkent, dat de korreltjes gekleurd en door scheiding der haematine ontstaan zouden zijn, daar de graad hunner kleur, wanneer zij er eene hebben moeten, niet in het minst met dc liaematineklcur overeenkomt. Volgens

Sluiten