Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van ontkleurde bloedligehaampjes, globuline, in de vezelstof blijft ingesloten. De hoeveelheid der vezelstof is veranderlijk. In zooveel

beid overlaat. Eoker (t. a. p) vond onveranderde bloedligehaampjes, een of meer, in korrelijcscellen ccne hersen-apoplexie; hij merkte aan vele der geelachtig-korreligo kogeltjes van 0,003—0,022''', die in een veranderd apoplectisch extravasaat van eune schildklierkwab bevat waren, onder bijvoeging van water een duidelijk celvlies op, en waar de korreltjes niet te digt lagen, ook ecne kern. Dezelfde schrijver [Zeitschrift f. rat. Med. 18-17, Heft II, S. 261) en Külliker hebben gelijktijdig in de milt van vele dieren een focus van metamorphose van bloedligchaainpjes in korreltjescellen ontdekt, en Landis (Beiltiige sur Lekte iiber die Verrichtung der Milz, Zurich 1817) heeft, onder K()fiiker's leiding, dit onderwerp verder vervolgd. Volgens Ecker komen er in de miltpulpa der zoogdieren, nevens de bekende cellen en kernen, ook cellen voor, die bloedligehaampjes insluiten. Eenige daarvan (bij het kalf van ongeveer 0.003 ") bevaltederi één bloedligehaampje, dat, wanneer het na het bersten van het celvlies naar buiten trad, in water bleek werd en verdween; daar naast somtijds slechts eene fijnkorrelige massa; andere (van 0,0015'") bevatleden 2 bloedligchaainpjes en daar nevens eene fijnkorrelige massa, nu en dan ookeenekorrelige kern. Er bestaan cellen (van 0,0065—0,015 ") met y—10 en meer bloedligehaampjes: haar vorm is nu eens rond, dan weder onregelmatig; nu eens is er eene kern aanwezig, dan weder niet. Bij de meeste is het celvlies duidelijk, bij enkelen maakt zich in het w al er van het hoopje bloedligehaampjes slechts eene laag van korreltjes los, zonder dat men liet bersten van eeu vlies opmerkt. In andere cellen vindt inen, in plaats van de bloedligehaampjes, slechts gele of bruine, tot zelfs zwartachtige korrels; daartusschen komen groole cellen voor van 0,015"' en meer, die met ineengeschrompelde, in water niet meer veranderende, gele bloedligehaampjes en gele korreltjes gevuld zijn. Ook onder de vrije bloedligchaainpjes der milt wordeiï talrijke overgangen gevonden van normale tot ineengeschrompelde, en nergens vindt men een zoo aanmerkelijk verschil in de grootte der bloedligchaainpjes als in het bloed der milt.

In de inilt van kikvorsclien en tritons vindt men nevens normale bloedligehaampjes rondachtige en goudgele, die in water niet veranderen en geene kern vertoonen; andere zijn tot onregelmatige, verzadigd gele korreltjes ineengeschrompeld; in andere heeft zich de kleurstof in verscheidene partikeltjes verdeeld; nog andere zijn in een aantal, somtijds nog zamenliangende, gele, bruine of zwartachtige korreltjes ontleed. Daarnaast komen cellen voor van de grootte van normale bloedligehaampjes of grooter, een of meer der genoemde ineengeschrompelde bloedligehaampjes en talrijke korreltjes bevattende, die in water onveranderlijk zijn; cellen, die alleen fijnere of grovere, geelachtige of donkere korreltjes insluiten; eindelijk grootendeels blecke of slechts weinige korreltjes bevattende cellen.

Volgens KötliKER zijn cellen der milt, die bloedligehaampjes bevatten, het fraaist en keurigst bij kruipende dierente zien, minder gemakkelijk bij vissclien, het minst gemakkelijk bij zoogdierenen vogels. Bij den menseh, wiens milt Kouiker nog niet. in

Sluiten