Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste vorming van het bloed heeft gelijktijdig met de vorming der bloedvaten in een zeer vroeg tijdperk der ontwikkeling pleats. Volgens de hieronder mede te deelen waarnem ngen schijnt het, alsof de bloedligchaampjes binnen eene soort van stervormige cellen ontstonden, die dcor vertakking en ineensmelting der takken het haarvatenslelsel daorstellen • de bloedligchaampjes zouden dien ten gevolge endogene vormsels zijn der haarvatencellen. SciiWAN'N (1) herkende reeds aan de oorspronkelijke haarvatencellen de geelroodachtige kleur. In deze cellen, die men in doorschijnende vliezen, b. v. in het pupillair-vlies, in de ruimte der mazen van reeds gevormde haarvatennetten vrj liggen ol als blinde uitwassing aan een der tot een net verbondene haarvaten ziet, doen zich het eerst fijne korreltjes voor, en daarnaast verscheidene, tot vier grootere kogels. Andere bezitten op ééne plaats eene soort van kern, die verscheidene kogels bevat. Yalentin, aan wien wij deze waarneming verschuldigd zijn (2), is onzeker, of deze kernen, dan wel de daarin bevatte kogels, zich tot bloedligchaampjes ontwikkelen; maar hem komt het eerste waarschijnlijker voor, omdat de bloedligchaampjes der in de nabijheid gelegene, reeds volkomen ontwikkelde haarvatennetten dikwijls 1—3 soortgelijke lig cliaampjes excentrisch insluiten. In de aren vasculosa van het kippenei heeft Reiciiert (3) het ontstaan van jonge cellen, die hij voor bloedligchaampjes houdt, binnen in de grootere, fijnkorrelige cellen nagegaan. Er vertoonde zich eerst een fijnkorrelig nederslig, dat van de celkern der moederc?l scheen uit te gaan; in de fijnkorrelige zelfstandigheid zag men vervolgens afzonderlijke donkere plekken, veroorzaakt door j.nge cellen daajbinnen. Boor bersting der moedercel werden de laatste vr j; zij waren minder doorschijnend dan de bloedligchaampjes van het volwassene dier, en van eene kern voorzien.

Bij het hoen zijn de bloedligchaampjes in de vaten aanvankelijk kleurloos en van eene zeer verschillende grootte; daarna ontwikkelen zij zich tot kogels van 0,0072"', en worden rood ge-

(1) Mikrosk. Unters. S. 187.

(2) MüLLER's Ar chic, 1340, S. 218.

(3) LuiuicLelu/if/sleten . S. 213, Fijj. 12.

Sluiten