Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit hel parenchyma op ; op liet uit de ader gelaten bloed doel zich een huidje van vet (1) voor, en het ligchaam vermagert (2).

Daar er door de chyl- en lymphevaten aan het bloed steeds nieuwe cellen toegevoerd worden, zoo moest allengs de hoeveelheid der ligchaampjes zich lot in het oneindige vermeerderen, indien niet op de eene af andere wijze ook de reeds gevormde uit den bloedsomloop weder verwijderd werden. Dat dit geschiedch moet, liet zich wel met zekerheid gevoelen ; maar hoe het geschiedt, is nog niet bekend. Een lijd lang geloofde men, dal de ligchaampjes het voedende bestanddeel van het bloed uitmaakten , zich aan de wanden aanlegden en in het parenchyma verdwenen ; dit zou een resultaat van mikroskopische waarneming zijn; alle nieuwere waarnemers hebben het eenstemmig verworpen. Schultz (5) neemt aan, dat de lever de overtollige en onwerkzame bloedligchaainpjes afscheidt, en dat zij ter bereiding der gal worden verbruikt. Maar eene klier kan slechts vloeibare bestand deelen uit het bloed verwijderen. Mij komt hel het waarschijnlijkste voor, dat de bloedligchaampjes te niet gaan, zoo als zij ontstaan zijn: in hun cytoblastema vormen zich sommigen bestendig op nieuw, en zoo worden zij misschien, wanneer zij eene zekere gedaanteverandering doorgeloopen en eenen zekeren ouderdom bereikt hebben, in het plasma weder opgelost, juist zoo als andere cellen, b. v. de kliercellen, zich op eenen zekeren ontwik kelingstrap van zelve los maken of bersten, en haren inhoud uilstorten. Daarvoor pleit ook de waarneming, dat bij behandeling met water of azijnzuur de gevoeligheid der ligchaampjes zoo zeer verschilt; eenigen veranderen terstond, anderen , digt daarnaast liggende, eerst na langeren tijd. Reeds IIewson heeft zich daarovei verwonderd (4), en ook Schultz en Nasse hebben het opgemerkt (li).

(1) Marshall Hall, Ueber Blutentsiehung. Deulscb bearb. von Bresslel , Bcrl. 1837, S. 66.

(2) Verg. de Noot op bi. 162 en volg. \ert.

(3) Circulation, S. 72. IIcfela.nd's Journal, 1838, April, S. 3.

(4) Exp. int/. III, 39.

(5) Even onvolkomen, zegl IlENLE (l. a. p. 1816. S. 67), als omtrent de regeneratie, is onze kennis van bet verdwijnen der bloedlichaampjes. Dal de rijpe bloedlichaampjes in dezelfde mate verwijderd worden, als er nieuwe worden aangevoerd,

Sluiten