Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De inhoud der bloedligchaampjes zou op deze wijze in het bloed teiugkeeien, en men zou ze, tot dat men er meer van weet, als

kan voor de volwasscue menschen bevestigd worden. Dat dien ten gevolge de levensduur der bloedligchaampjes tamelijk kort, en een vrij groot aantal steeds liet tijdperk van hunnen ondergang nabij is, leeren de proeven van f. Bidder (Huilers Arclur, 1845, S. 46) omlrent de hoeveelheid chyl, die door den ditctus thoracicus naar het bloed wordt gevoerd. Aan vloeibare lymphe ontlast zich, volgens deze proeven, uit de horsthuis binnen 24 uren, eene hoeveelheid, welke met het 5de gedeelte van het gewigt des ligchaams en derhalve aan de geheele bloedmassa gelijk zijn kan. Is nu ook de inhoud van de horsthuis minder rijk aan ligchaampjes dan het bloed, zoo zal men toch zonder overdrijving kunnen aannemen, dal in 2—3 dagen ook de mikroskopische beslanddeelen van het bloed vernieuwd worden.

I!ij de hypothese, dat de kernen der lympheligchaampjes in bloedligchaampjes overgaan, lieeft men een voortgaanden overgang uit den onoplosbarën in den opgelosten toestand aan te wijzen, die met de wezenlijke oplossing van het omhulsel en de verdeeling van den inhoud in het bloed zou eindigen. Bij de andere hypothesen zou, wanneer de bloedligchaampjes door oplossingen het plasma verdwijnen zouden, het vlies eerst vaster en van een zeker tijdstip af aan weder oplosbaar moeten worden. Algemeen houdt men de minder oplosbare, aan reagentia langer tegenstand biedende bloedligchaampjes voor de jongere, omdat zij kleine! zijn en omdat zij, zoo als II. Muller aanvoert, meer naar de in lympheligchaampjes ingeslotcne gekleurde kernen gelijken. Steeds blijft het nog der overweging waardig, of nog niet op eenige andere wijze de meer dan voltooide bloedligchaampjes uit het bloed kunnen worden verwijderd. Wij worden daartoe cenigzins geleid, wanneer wij ook al niet juist van pathologische gevallen tot de normale verhouding mogen besluiten, door de verandering der ligchaampjes in toevallig naar buiten getredene of stilstaande, zich allengs ontkleurende stremsels. II. Zwicky {Die Metamorpliose des Thrombus, 1845, S. 33) heeft in dit opzigt den bloedprop van onderbondene vaten onderzocht, en gevonden, dat het grootste gedeelte der bloedligchaampjes in de eerste weken spoorloos, óf door oplossing óf door bersting der omhulsels, verdwijnt, dat echter een klein gedeelte eerst eene scheikundige verandering van het omhulsel en van den inhoud ondergaat, waardoor gene vaster en digter wordt, deze eene geel- of bruinroodachtige en zelfs zwartachtige kleur verkrijgt, en het geheele ligchaampje in water en azijnzuur onoplosbaar wordt. Het behoudt aanvankelijk nog zijnen schijfvorm, maar wordt steeds kleiner, puntvormig, en is eindelijk verdwenen. Grootere en kleinere ligchaampjes zijn tot kleinere en grootere kogelvormige hoopjes bijeenverzameld,

die door azijnzuur losser worden. Deze verandering kwam eerst op den 12 15

dag in de bloedproppen voor, die nog vele onveranderde bloedligchaampjes bcvatteden. Welke soort van ligchaampjes aan dit laatste proces is onderworpen, welke regtstreeks wordt opgelost, kan niet worden uitgevorscht. — Verg. verder omtrent de atrophie der bloedligchaampjes do noot op hl. 140. De verkleining der

Sluiten