Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hetzelfde karakter, die slechts fijner en bleeker zijn, en des te fijner worden, naarmate inen digter bij de binnenste -vlakte komt; zij worden eindelijk zoo fijn, dat men ze niet meer met eene zwakkere, maar wel met eene sterkere vergrooting als vezels berkent, en onmiddellijk op de binnenste vlakte bevindt zich eene laag, waaraan zich ook bij de sterkste vergrootingen met zekerheid geen vezels laten aantoonen. Deze beschrijving past op het gestreepte vlies; ook in Euiekeerg's afbeelding (fig. 9) laten zich de vezels daarvan weder herkennen; zij zijn slechts onduidelijk, omdat onderscheidene lagen over elkander liggen. Aan de aders beschrijft Schwann als binnenste vlies slechts de kernvezels van bet overlangs-vezelvlics. Schwann houdt daarom bet binnenste vlies niet voor zelfstandig, maar slechts voor een verfijnd middelst vlies; eene meening, die Valestin (Mülier's Archiv, 1838, S. 195) na de beschouwing van den vrijen rand van de klapvliezen der aders tegenspreekt. Terwijl de gekronkelde adervezels (bindweefselvezels der klapvliezen) op eenigen afstand van den rand ophouden, zou deze alleen uit hetzelfde, doorschijnende binnenste vlies beslaan, dat slechts lichte en regtlijnige, gegranuleerde vczelstrepen vertoont. UaUSCflEl (S. 15) nain het vezelige maaksel waar van het binnenste (gestreepte) vlies, waardoor bet zich van het DEJiot'RS'iche vlies en de lenskapsel onderscheidde. Volgens E. H. AVeber (Rosebmülier's Anut. S. 49) en Glrlt bestaat het eveneens uit fijne vezeltjes, die volgens Gcrlt netten met naauwe mazen vormen (Physiol. S. 21). In de afbeelding (Taf. I, fig. 4) merkt men echter, dat Gorlt niet betzelfde vlies, als zijne voorgangers, maar het epitheliuin gezien heeft, welks kernen hij voor de interstiliën der mazen gehouden heeft. Dat een waar plaveisel.epitheliuin de binnenste vlakte der vaten overtrekt, is het eerst door mij waargenomen (Müller's Archiv, 1838, S. 127) en door ScHWAPiN (Hlikroskop. Unlers. S. 84), Valentjn (Müller's Archiv, 18i0, S. 215) en Rosentbai (form. granul, p. 12) bevestigd geworden. Over de metamorphosen van hetzelve hebben ScnwAKiN en Valentin opmerkingen medegedeeld. SciiWAfiN vermoedt, dat de cellen later tot eene gedeeltelijk structuurlooze laag ineensmelten, en dat sommige overblijvende kernen het aanzien van vlekken geven, die hij reeds vroeger in het binnenste vlies der vaten gezien en juister als openingen beschouwd had (de openingen van het gestreepte vaatvlies). Valentin is eveneens van meening, dat bij bet embryo de cellen van hel vaat-cpilhelium, nad.it zij den rhornbischen vorm aangenomen hebben, allengs in een eerst nog strepig en daarna gelijkvormig vlies overgaan (1).

Ik heb aan de fijnste vaten der pia mater en der hersenen celkernen gezien, maar zwarigheid gemaakt ze voor eene voortzetting van het binnenste epithelium

(1) II. Lebert (Physiol. palhol. 1845, I, p. 124) wil in de fijne vaten der hersenen van 0,004—0,006"' doormeting een epithelium van kerncellen hebben gevonden. Hem.e (Jahresb. 1846, S. 70) meent, dat bet de overlangs-ovale celkernen van het primaire vaatvlies zijn, die hij daarvoor heeft gehouden,

Vert.

Sluiten