Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lusschen de klapvliezen; van daar aan de uitgezette watervaten de insnoeringen, die aan de klapvliezen beantwoorden, en de bekende knobbelvormige opzwelling daartusschen, terwijl zich aan de zamengevallene lymphevaten, de plaatsen, waar zich klapvliezen bevinden, als opzwellingen voordoen (1).

Het maaksel der lymphekl ieren is nog niet voldoende bekend. liet zijn ovale en rondachtige, meestal platgedrukte ligchaampjes van 1'" tot meer dan 1" doormeting, met eene gladde oppervlakte, de grootere door een fibreus vlies omgeven, dat met het losse bindweefsel binnen in de klier onafgebroken zaïnenhangt. De meeste zijn roodachtig, de klieren van het darmscheil gedurende de spijsvertering wit, die der longen zwart, der lever geel. Men ziet aan deze ligchaampjes, op de oppervlakte zoo wel als van binnen, talrijke watervaatvertakkingen, die aan den eenen kant uit eenvoudige stammen voortkomen , en naar den anderen kant zich wreder in minder talrijke, maar wijdere stammen verzamelen , soortgelijk ^ls de bloedvaten in de kliervorrnige wondernetten. De lymphevaten met de bloedvaten, welke zich op hunne wanden verspreiden, en met een vormloos bindweefsel, dat de tusschenruimten aanvult en vet bevatten kan, schijnen, na de opvulling der watervaten met kwikzilver, alleen de klier zamen te stellen; misschien zijn ook sommige, met name de kleinere lyinpheklieren, niets anders dan lymphevaatkluwen (2). In de grootere watervaatklieren, en met name in het pancreas Aselli der dieren, bezit de oppervlakte een meer celachtig of druifachtig voorkomen en bij de verscheuring vindt men in eene melkachtige vloeistof ronde en, zoo het schijnt, vaste ligchaampjes, soortgelijke als de acini van vele kluwvormige klieren (glandulae conglomeratae), die nog zeer goed met het bloote oog zijn te onderscheiden (5). Elk bestaat uit een digt hoopje van mikroskopische, ronde ligchaampjes, van 0,0015—0,002"'doormeting. Zij bezitten eene donkere, punt-

(t) Afbeeldingen van Buesciiet et Roussel de ViCzeME, Ann. d. sc. na!., 2e Sér. T. II, PI. XII, fig. 42—45; Bbescïïet, Syst. lymphal. PI. I, 1—3.

(2) Gerber {Allg. Anat. S. 166) onderscheidt deze kluwen als valsche of halve I klieren.

(3) H&wsoir, Exp. iuq. III. 51, Pl. II.

Sluiten