Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

holten zouden door hunne steelen met een grooter lympheblaasje, dat zich ook als een net voordoet, zamenhangen; vandaar gaan de fijnste lymphevaten uit, enz. De waarnemingen van Fohmann en Panizza, waardoor de meening van de opene wortels der lymphevaten in het darmkanaal en andere deelen zoo grondig werd wederlegd, heb ik reeds boven vermeld.

Ik moet hier nog melding maken van eene opgave van Breschet en Roussei. de Vaüzême omtrent de wortels van het watervaatstelsel in de huid (Ann. d. sc. nat. 2e Ser., T. II, 1834, p. 204). Als opslorpende vaten der huid beschouwen zij kleine takjes, die digt onder de oppervlakte der epidermis en nog in de zelfstandigheid der laatste aanvangen, zich netvormig verbinden, eindelijk tot stammetjes ineenloopen en in de culis zouden indringen. Breschet heeft later hierbij gevoegd (Si/st. lymphat. 1836, p. 28), dat de punten der vaten in de epidermis niet vrij en geïsoleerd beginnen, maar door lissen zamenhangen. Deze waarneming blijft nog slechts in dit opzigt te verbeteren, dat de takjes niet in de zelfstandigheid der epidermis liggen, maar in de tepels der cutis, die tot digt onder de oppervlakte der huid voortdringen; verder, dat de beschrevene vaten niet tot de watervaten, maar tot het bloedvaten-stelsel behooren, daar de massa daaruit, zoo als de schrijvers zelve opgeven, in de bloedvaten der cutis overgaat.

Ik kom tot een tweede punt van verschil, omtrent het einde der lymphevaten. De vraag is, of sommige watervaatstammen ook in sommige aderstammen overgaan, hetgeen, daar het bij de lagere gewervelde dieren een gewoon verschijnsel is, ook bij den mensch en de zoogdieren werd aangenomen. Maar het maken van gevolgtrekkingen van de eene klasse van dieren tot de andere is hier des te minder geldig, wijl in het bloed daarmede in verband staande verschillen voorkomen. Het gemis van de kern in de bloedligchaampjes is bij de zoogdieren regel, bij de overige gewervelde dieren uitzondering; hieruit volgt, dat bij de eerste de bloedligchaampjes rijper in het bloed overgaan dan bij de laatste. Daartoe zullen zoo wel de talrijke klieren, als de lange weg, dien de lymplie van de meest verwijderde deelen heeft af' te leggen, het hunne bijdragen. Uit opgespoten lymphevaten gaat de massa dikwerf in de wortels der aders over, zoo als omgekeerd uit de slagaders in de lymphevaten; maar Panizza verzekert, dat telkens, als dit geschiedt, de fijnste bloedvaatnetten op de wanden der lymphevaten opgevuld zijn, waardoor alzoo de overgang een gevolg der porositeit of verscheuring der wanden schijnt te zijn (Ossetv. p. 38). Een opene overgang van een duidelijk lymphevat in eene ader, hetgeen alleen een stellig bewijs zou opleveren, heeft zelfs Fohmann, die de gemeenschap tusschen de beide stelsels verdedigt, zoo min als Laliii en Panizza bij zoogdieren gezien, en onder de lateren heeft zich slechts Vaientin (i?epert. 1838, S. 100) daarvoor verklaard. Hodgkin , in naam eener commissie te Dublin, geeft wel is waar ook toe, dat zulk eene gemeenschap kan voorkomen, maar houdt die gevallen voor eenvoudige varieteiten (Report of the Brit. ctssoc. 1837, p. 289). In de lympheklieren is de overgang der massa uit de lymphevaten in da aders zeer gewoon; de oudere Meckel (Lindner , De lymphat. systemate, 1787, p. 78), Fohmann (Verbind. der Saugadem mit den Venen, 1821, S. 23 voln-.), liadto (Essai, p. 35), Rossi (Archiv getier. X, 1826, p. 430) en Luchtmans (Frorïep's Nolizen, XI,I. 1834, S. 183) meenden, dat dit zonder scheuring ge-

Sluiten