Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overeenstemïning met liet spierweefsel zeker. Ik vind in de iris van den menscli en de gewone zoogdieren, behalve vaten en zenuwen en de ingestrooide pigmentcellen , niets dan bundels van fijne, gladde, golfvonnig gebngene fibrillen, volmaakt als bindweefselbundels. De fibrillen zijn, vooral bij dieren, gemakkelijk van elkander te scheiden, en bij den inensch met talrijke kleine, in de lengte uitgerekte celkernen bedekt. Krause zegt (1), dat andere dan celstof- en zenuwvezels in de iris niet aanwezig zijn. Niets anders schijnen de vezels te zijn, die Schwann in de iris van het zwijn praepareerde (2). De opgaven der vroegere' waarnemers, zonder kennis van de mikroskopische eigenschappen van het bindweefsel, zijn zonder waarde. Volgens Valentin daarentegen (5) koinen de eigendommelijke vezels der iris, die met bindweefsel doorvlochten worden, met de «niet gestreepte spiervezels

tiele vezels der iris, even als IIenle, overeenkomende met de bindweefselvezels; liij geeft echter hare doormeting als 0,0025"' op, en releveert daarbij het gemis van fijnere vezeling; IIenle (Jahresl. 184G, S. 71) verklaart alsdan niet te weten, waarin zij zieli van de gladde spiervezels zouden onderscheiden. ValertiN rekende ze reeds in 1842 (Wagner's Ilandwörterb., I, 719) tot deze klasse, door hem eenvoudige spiervezels genoemd. Met Valentin werden laler gladde spiervezels in de iris gevonden door A. K.ülliker (Mlttheil. d. Ziiriclier iiiiturforsch. Gesellsch, 1847, N°. 2, p. 18), L. Mandl (Anat. microsc. 1847, Livr. XX, p. 3G3), Pi. 15. Todd and W. Bowman (The physiological Anatomy etc. 1847, P. JH, p. 2G, 79) en E. Ehüoke (Anatomische Beschreibung d.mensclil. Augapfels, 1847, p. 18). Deze laatste onderscheidt ecnen kringvormigen vernaauwer der pupil, die aan den pupillairrand achter de hoofdmassa der vaten en zenuwen ligt, cenen radialcn verwijder en bovendien eene spanspier der choroidea, den onder den naam van Ligamenlum ciliarc bekenden graauwen ring op de buitenvlakte der choroïdea, waarin de vezels van achteren naar voren loopen. Het zijn de zelfde vezels, die Todd en Bowman met den naam van rnusc. cüiaris hebben aangeduid. De iris is derhalve niet meer tot het contractiele bindweefsel te brengen. Volgens A. Kölliker (v. Sjebold und küllikjir's Zeitsclir. f wissenschaftl. Zoölogie , 1843, Bd. I, S. 85) ligt er, behalve de door Brücke naauwkeorig beschrevene, aan den pupillairrand geplaatste sluitspier, nog een smalle spierring, 0,025'" breed, digter bij de voorste oppervlakte der iris, in de streek van den kleineren vaatcirkel. Den verwijder der pupil kon Külliker niet, zoo als Brücke, tot aan den rand van de glasplaat van liet hoornvlies nagaan.

Vert.

(1) Anat. F, 413.

(2) J. Müller, Physiol. II, 36.

(3) Repen. 1837, S. 247.

Sluiten