Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelijk breedere, aan de einden toegespitste geelachtige, korrelige vlek (A, a), dan weder eene lange smalle, fijne, donkere streep (D, b), dan weder eindelijk eene afgebrokene rij van fijne puntjes (E, d). In weinigen is de kern spoorloos verdwenen (B. Bj; somtijds maakt zich hare vroegere zitplaats kenbaar door eene opzwelling (C). Behalve deze plaatjes, die in de nabijheid der sereuze oppervlakte het menigvuldigst voorkomen, verkrijgt men afzonderlijke fragmenten van breede, zeer platte , stijve vezels. Deze liggen in het spiervlies meestal evenwijdig aan elkander, in grooter of kleiner aantal tot bundels vereenigd; zelden gaan zij door schuinsche anastomosen in elkander over. Daartusschen en daarover loopen de kernvezels, die dikwijls een soortgelijk netwerk zamenstellen, als de kernvezels van het middelste slagadervlies; in andere gevallen zonder takken af te geven, even als de kernvezels van het bindweefsel gekronkeld tusschen platte en gegranuleerde vezels heenloopen. Altijd zijn zij veel lichter, teerder en minder talrijk dan in het vaatvlies. Azijnzuur lost de gegranuleerde vezels op en laat de kernvezels over (PI. IV, fig. 5); men moet deze echter kennen en zoeken, om ze bij hare fijnheid weder te herkennen. De gegranuleerde vezels der maag en des darmkanaals vertoonen dikwerf reeds eene onduidelijke verdeeling in fijnere, stijve en evenwijdige fibrillen (fig. 2, A); die der pisleiders daarentegen komen , vooral naar de nieren toe, digter aan de bindweefselbundels, daar zij uit haar regt beloop in een golfvormig gekronkeld overgaan (D) en zich eveneens allengs in fijnere overlangsche fibrillen splijten. De breedte der gegranuleerde spiervezels bedraagt 0,0024—0,0056'", de breedte der fibrillen ongeveer 0,0008"' (1).

(1) De organische spiervezelen zijn volgens Fr Arnoid [Unndb. d. Anat. 1843, Bil. I, S. 250) afgeplatte breede draden met eene platte oppervlakte en cenen ligt getanden rand, V700 lijn breed. Zij bestaan uit een paar draden, die door eene fijne, donkere streep van fijne korreltjes van elkander gescheiden zijn. Elke primitiefdraad zou spiraalvormig gewonden zijn, even als aan de ilwarsgcstreepte spieren; de kronkelingen zouden alleen niet zoo regelmatig zijn en niet op elkander passen 5 van daar dat er geen dwarse strepen zouden te herkennen zijn. Ook zij vertoonen bij de rotting, even als de dwarsgestreeptc vezels, hier endaar eene knobbelige opzwelling. De door VaLektin (AVagner's fla?idwörterb. I, 1842, 718) genoemde «eenvoudige spiervezels" worden door hem beschreven als platte,

Sluiten