Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schenkels eener zigzagbogt (fig. 4, F, o) bedraagt 0,009—0,016 de lengte eener schenkel (6) gemiddeld 0,0047"'.

de gladde vezels, op de wijze van los gevlochtene haai'staarten, ia sclierpe hoeken dooreenloopen. Elke vezel zou, zoo als na eene lange maceratie in water blijkt, zelf weder uit zeer fijne, als Jiaarstaarten doorecngevlochtene primiticldraden bestaan. J. Molescüot merkte met de gladde spiervczelen overeenkomende vezels nog in bronchiaaltakjes op van 0.06"' doormeting, en overtuigde zich, dat zelfs de wanden der longblaasjes daardoor gevormd worden [De Malpigliianis pulmonum vesiculis. Diss. inaug. Ileidelb. 1845, p. 37). Later [Hollïmd. heitrdge etc. 1846, S. 17) beeft bij bet musculeuze maaksel der fijnere bronchiën en der longblaasjes door scheikundig onderzoek met salpeterzuur en ammoniak aangetoond. Het voorkomen van gladde spiervezelen in de'longblaasjes werd door A. K.ölliker (Mittheil. d. Ziirich. naturf. Gesellsch. 1847, Nü. 2) eerst bevestigd, doch later (v. SlEBOLD u. koLLlKER's Zeitsclir. f. tvissenscli. Zoölogie, 1848, Bd. I, Heft 1) weder ontkend. Dit laatste deden ook A. Adriani [De subtiliori puim. struct. Diss. inaug. Trnj, ad Rlien. 1847, p. Gl), die ze zelfs in de fijnere bronchiaaltakken niet meer vinden kon; voorts A. F. Güntiier (Lehrb. 1848, S. 220) en o. Kostlik (Griesihger's Arcltiv, 1848, Heft IV, S. 289); ook in de vliezige bronchiaaltakkcn vond Koluker (Zeitsch. t. a. p), in tegenspraak met Henle, de laag van overlangsche vezels niet muskuleus, maar uit bindweefsel en veel fijnere en dikkere elastische vezels zamengesteld. rossigxoi [Recherch. sur la structure intime du poumon de l'homme etc. 1846, p. 66) heeft welde kringswijze spiervezels aan deze organen juist berkend, maar de overlangsche, die tusschen de elastische vezels liggen, over het hoofd gezien, en aan Henle ten onregte te laste gelegd, dat hij die elastische vezels zelve met spiervezelen beeft verwisseld. [L. llEiME's Jahresbericht, 1846, S. 69.) In de tunica dartos komen volgens R. B. Todd en W. Bowman (The physiological anat. 1845, Vol. I) gladde spiervezels tusschen de'bindweefselvezels voor; daaraan en niet aan bet bindweefsel zou dien ten gevolgede contractiliteit der tunica dartos zijn toe te schrijven. Hunne waarneming werd door A. Köiiiker (Mitth. t. a. p.) bevestigd; bij vervolgde de spiervezelen ook in het onderhuidsbindweefsel van den penis en [ZeitscliA. a. p.) op het voorste gedeelte van den bilnaad; zoowel in de tunica dartos als in bet onderhuidsbindweefsel van den penis vormen zij, in verbinding met bindweefsel en kernvezels, vrij breede, netvormig met elkander vereenigde bundels; in de balken der corpora cavemosa zijn de spiervezels almede met bindweefsel en kernvezels verbonden. Omtrent de vezels der iris vergelijke men de noot op bl. 358. Todd en Bowman hebben (t. a. p. 1847, P. III) als musculus coclilearis eene laag van gladde spiervezels beschreven, die van den buitenwand der slak naar den rand der vliezige lamina spiralis gaan. KöUIKER (Zeitsch. t.a.p.) houdt deze musc. coclilearis voor eenen band; zijne vezels gelijken, volgens hem, meer naar fijne stijve bindweefselbundels met onduidelijke vorming der fibrillen; zij laten zich niet in afzonderlijke vezelcellen scheiden, en loopen dikwijls in fijne, zelfs gespletene fibrillen uit. De kernen zijn onregelmatig, rond of langwerpig rond ofspilvormig

Sluiten