Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door spier- en peeszelfstandigheid ineenschrompelt, misschien ook een los, de verbinding ondersteunend bindweefsel in lijm opgelost wordt, scheiden zich de spieren glad en zonder scheuring van hare pezen af (1). Aan de cilindrische spieren zijn de pezen altijd dunner dan de spieren ; deze komen daarom om de pees naar de as toe bijeen, en komen eindelijk onder eenen hoek op de peesbundels te staan. Gewoonlijk wordt daarbij de pees geheel door de spiervezelen oinvat, en gaat zij in de as der spier verder op naar boven, dan van buiten, terwijl zij zich allengs uitbreidt en dunner wordt; dikwijls gaan de peesvezels een eindwegs op de oppervlakte der spier voort. Als bij plattere spieren de spierbundels zich slechts van eene of van twee zijden aan de pees aanvoegen, dan ontstaan de halfgevederde en gevederde spieren: komen eindelijk de bundels uit den spierbuik aan het eene of andere uiteinde om onderscheidene afzonderlijke pezen bijeen, dan vormen zich veelhoofdige of veelstaartige spieren. Aan het hart worden de pezen eenigermate door de fibreuze ringen aan de slagaderlijke en aderlijke monden der kamers en aan de wortels der klapvliezen vervangen. Eigenlijke pezen evenwel bezitten de rnusculipapillarcs (2).

PHYSIOLOGIE.

Door hare levendige wederkeerige werking met de zenuwen be-

(1) i'appenheim (Specielle Gewebelehre d Auges, 1842) vond bij dwars {gestreepte spieren slechts eene juxtapositie; bij niet dwars gestreepte gingen de priinitiefdraden der spieren onmiddellijk in de pezige aanhechtigen over. Volgens Valentin (Wagner's llandwürterb. 1842) eindigen de dwars gestreepte spiervezels meestal afgerond, maar loopen aan baar uiteinde dikwijls ook puntig toe. Zij worden door de peesvezels rondom omgeven. Fr. Arnold (Ilandb. d. Anat. 1842) zag almede geenen onmiddellijken overgang tussclien spier- en peesvezelen. De spiervezelen eindigen naar zijne waarnemingen afgerond ol' kegelvormig, de peesvezels wijken uiteen en zetten zich een eind wegs gekronkeld over en tusschen de sjjieruiteinden voort. A. W. Hassai.1 (t. a. p. 1847, p. 346) deelt mede, dat daar, waar de spiervezels zich schuins aan de pees hechten, descheede der eerste zich over de oppervlakte der laatste voortzet, en dat een gedeelte der peesvezelen zich over de uiteinden der spierbundels uitstrekt en zich daarmede en met hunne scheede ineenweeft. Volgens J. Gerlach (Ilandb. der Gewebclehre, 1848) eindigen de spierdraden aan de pezen afgerond; de bind weefsel vezels van liet peesweefsel nemen haren oorsprong van de scheede der spierdraden.

Vert.

(2) Pai.TCKI, De tnuscu'osa cordis structura. Wralisl., 1839, 8.

25"

Sluiten