Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens Leeuwenhoek, Muys en Prociiaska zijn de primitiefbundels van jonge dieren fijner dan die van volwassenen (1). Hoe levendig in volwassene spieren de stofverwisseling met het

kernen vóór de dojerplaatjes; in spiervczelen van liet darmkanaal Wijven zij beslaan cn zijn ook nog, zoo als bekend is, bij bet volwassen dier tc vinden.

Vert.

(1) I'. IIartjng (Rccherch. mier om. 1845, p. 59) strekte zijne leerrijke, vergelijkende metingen der elementaire dee'en in verschillende levenstijdperken ook lot het spierweefsel uit. Hij vond voor de gladde spiervezelen van de maag bij pasgeborene kinderen gemiddeld 0,0028 mm. (0,0012'") bij volwassenen0,0056 mm. (0.0024"') en vermoedt, dat deze vergrooting zonder vermeerdering der vezels ongeveer voldoende is, om de vergrooting vin het spiervlies der maag te bewerken. Met betrekking tot de gestreepte spieren moet ik mij beperken metslechls de resultaten uit de vvijdloopige berekeningen mede te deelen:

1. liet interstitiële bindweefsel der spieren schijnt in het foetus minder over- • vloedig dan in pasgeborenen te zijn, maar schijnt na de geboorte niet meer in ) grootere male vermeerderd te worden, dan de eigenlijke spierzelfstandigheid.

2. De gemiddelde doormeling der primitief bundels bedraagt bij het foetus 0,0063, , hij pasgeborenen 0,0105 mm.; de verhouding is derhalve als 1:1,67. De doorine- • ♦ing der geheele spieren neemt gedurende denzelfden tijd in eene veel grootere verhouding toe, hetgeen alzoo aan eene vermeerdering van het aantal der primitief bundels toe te schrijven is. Deze vermeerdering zou door verdeeling kunnen plaats hebben, en daaruit zou kunnen worden verklaard, waarom onderscheidene waarnemers de spierbundels bij jongere embryones (vóór de verdeeling) dikker gevonden hebben dan bij oudere.

3. Ka de geboorte neemt de grootte der spierbundels toe tot omstreeks 5 malen en meer, dan de dikte der geheele spier; enkele spierbundels zouden derhalve i met elkander moeien ineensmelten [wanneer niet de aanwezige, smalle bundels I allengs verdwijnen en nieuwe dikkere daarvoor in de plaats ontwikkeld worden. I Henle (Jahresb. 1846, S. 73.)]

4. De spierfibrillen schijnen zicli na de geboorte tot ongeveer 1 /g van hare doormeting te vergroolen (0,0125:0,0142 mm.). De omvang der primitiefhundels neemt derhalve hoofdzakelijk door vermeerdering der fibrillen toe.

5. De afstand der dvvarsstrepen bedraagt gemiddeld bij het foetus 0,0024, hij pasgeborenen 0,0027, hij volwassenen 0,0034, en schijnt in regtstreeksche ver- t houding met de dikte der primitiefvezels toe te nemen. IIauting maakt hieruit het besluit op, dat de spierfibrille even zooveel in de lengte als in de dikte i grosit; dat overigens niet alleen de ruimte tusschen twee dvvarsstrepen, maar ook I liet aantal der laatste met den groei toeneemt, blijkt uit de vergelijking van de l lengte der geheele spieren uit verschillende levenstijdperken.

A. W. IIassall (The microscopie anatomy, 1847, p. 339) bevestigt, dat de t gestreepte spierbundels bij het embryo veel smaller zijn, dan die van volwassenen, f

Vert.

Sluiten