Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijnen afgebroken, die, op verschillende plaatsen gezien, voor kleine kogeltjes hadden kunnen worden aangezien. Somtijds zou inen kunnen gelooven, dat deze schijnbare kogeltjes even zoo vele rimpels waren. Merhem [Berl. Naturf. Freunde, 1783, IV, 411) verklaarde de spiervezels voor cilindrisch en hol, HIetzger (t. z. p. V, 377) voor vaste draden, roet golfvormige randen, niet knobbelig. Voor rimpels houdt ook Trevirancs (Verm. Schriften, 181G, I, 134) de dwarsstrepen der bundels, omdat zij door drukking verdwijnen; de elementaire cilinders komen hem identisch voor met de cilinders van het bindweefsel. «ij onderscheidt eerst spieren met het maaksel van het bindweefsel, zoo als die der Mollusca, die uit eene geleiachtige zelfstandigheid, zonder duidelijke vezels, of ten minste zonder dwarsplooijen der vezels bestonden. Deze zag hij reeds niet meer aan de schenkelspieren van een kalf, niet aan het hart van een kikvorsch, aan de maag der schol. Home en Bader (Philos. transact. 1818, p. 176, fig. 4—6, 182G, P. II, p. Gi) hebben, zoo als bekend is, de meening geuit, dat de spiervezelen uit kernen der bloedkogelljes gevormd zouden worden. Wat zij kernen noemen , zijn, zoo als wij vroeger hebben aangetoond, slechts de ontkleurde bloedligchaampjes; en hunne primitieve spiervezels zijn bundels, wier knievormige inbuigingen zich als insnoeringen voordoen. De verhandeling van Prétost en Dcmas (Magendie, Journal, lil, 1823, p. 303) mogen wij uit een anatomisch opzigt slechts daarom vermelden, dat zij de priiniliefbundels met den naam van secundaire vezels, de secundaire bundels als tertiaire vezels beschrijven. De dwarsstrepen schrijven zij aan de scheede toe, daar men ze aan verscheurde bundels niet zou opmerken; de primitiefvezels houden zij met Home en Miine Edwards voor zamengesteld uit kogelljes. Hodgkin en Lister (Philos. mag. 1837; ï'roriep's Notizen, XVill, 247) zagen de overlangsche en dwarse strepen der bundels, maar verklaren zich niet omtrent de beteekenis der laatste. Onder de nieuwere waarnemers hebben alle meeningen, die Mcrs, Procbasca en Fontana voor mogelijk verklaarden, hare bijzondere verdedigers gevonden. Volgens Kraüse [Anat. 1833, S. 57) bestaan de primitiefvezels elk uit eene rij van digt aaneenliggende, sphaerische kogeltjes van 0,0006—0,0009'" doormeting, die door eene waterheldere, taaije vloeistof bijeengehouden worden. Van dezelfde meening is Lacth (l'lnstitut, 1834, JX°. 70) en ook Jordan (MuLLER's Arcliiv, 1834, S. 428), die aan gemacereerde spieren de kogeltjes uit de celweefselscheede meent te hebben uitgeperst, Jacouemin [[sis, 1835, S. 473), die vermoedt, dat de ovale blaasjes in eene buis bevat zijn, eindelijk Gerber (Allg. Anat. 1840, S. 139). In de slappe spier kwamen hem de korreltjes der primitiefvezels elliptisch voor, gedurende de zamentrekking echter sinaasappelvormig, afgeplat. Hij voegt nogtans daarbij, dat het korrelige voorkomen somtijds van korte, golfvormige buigingen schijnt af te hangen. Volgens Jordan zijn de kogeltjes licht, de strepen daartusschen donker; zoowel de overlangsche als de dwarse strepen der bundels zouden door de schaduw tusschen de kogeltjes ontstaan. Schwann (MüUer's Physiol. 1837, S. 33) houdt de kogeltjes voor donker, en de tusschenruimten voor lichter en iets dunner. Voor dezelfde meening verklaart zich Brons [Allg. Anat. 1841, S. 306). Mater (Seelenorgan, 1838, S. 78) gelooft, dat de roodachtige kogeltjes door draden, zoowel in eene overlangsche rigling als in eene dwarse,

Sluiten