Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cholestearine oplost en cerebrot achterlaat, liet is, even als de cholestearine , niet voor zeepvorming geschikt, onsmeltbaar, en maakt geene vlekken op het papier. Even als de volgende drie vetten, bevat het, behalve koolstof, waterstof en zuurstof, ook stikstof, zwavel en phosphor, en dit laatste, zoo als Couerbe opgeeft, bij razenden in eene grootere, bij idioten in kleinere hoeveelheid dan bij gezonden. De normale hersenen zouden 2—2,5 procent phosphor bevatten. Coijerbe's cerebrot is identisch met het vaste hersenvet van Yauquelin, het hersenwas van Gmelin en het myelokon van Kühn.

2. Eleencephol, cerebrot volgens Behzelius, blijft in de alcoholoplossing, waaruit zich bij de verkoeling cholestearine en cerebrot afgezet hebben, terug. Het is eene geelroodachtige olie van eenen onaangenamen smaak; de overige vaste vetsoorten der hersenen lost het gemakkelijk op.

5. Cephalot en

4. Stearokonot zijn in het overblijfsel der aether-oplossing bevat, waaruit alcohol de vorige zelfstandigheden heeft uitgetrokken. Cephalot wordt weder door aether opgelost, terwijl stearokonot, dat slechts onder medewerking van het eleencephol in aether oplosbaar was, achterblijft. Het cephalot is vetachtig donkergeel, wordt in de warmte week, door loogen tot eene zeep gemaakt; het stearokonot is eene vette, gele, poederachtige stof, onsmeltbaar , en die door loogen in zeep veranderd wordt.

De gezamenlijke zwavel- en phosphorhoudende vetsoorten zijn, volgens Frèmy (1), mengsels uit de vette zelfstandigheden der hersenen met eiwit, waarvan het gehalte aan zwavel, phosphor en stikstof afkomstig is. Frèmy verkreeg nevens cholestearine twee vette zuren, waarvan het eene, oleïnezuur, ook in de overige dierlijke vetsoorten voorkomt, het andere, cerebrinezuur, aan de hersenen in het bijzonder toekomt. Deze zuren zijn deels vrij, deels in verbinding met soda, en derhalve in den toestand van zeep in de hersenen bevat. Meer uitvoerige mededeelingen van Frèmy worden nog verwacht (2).

(1) Comptes rendus, 1840, 2e Sém., No. 19.

(2) AVij hebben de latere, meer uitvoerige mededeelingen van Fbêmt, Deel I,

Sluiten