Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in vroegere tijdperken even zoo bleek, gegranuleerd en met cytoblasten bezet zijn. Ook Gerber schijnt zich aan deze meening aan te sluiten. (1)

Tegen de verklaring van Remak , en voor een gedeelte ook tegen zijne feitelijke opgaven, was nogtans Yalentin opgekomen (2). Hij ontkende, waarmede Purkinje instemt, den zamenhang der zoogenaamde organische vezels met de cellen der ganglia, en verklaarde gene voor bloote omhulsels der zenuwbuizen, die in de gangliënzenuwen even zoo, als in de cerebrospinaalzenuwen van de hersenen en het ruggemerg, naar de buiten gelegene deelen heenloopen. Tot deze meening omtrent het beloop der sympathische zenuwen leidden ook voortgezette physiologische onderzoekingen. Daar Remak kleine ganglia aan de zenuwen van het hart, in de zelfstandigheid van het hart zelf, gevonden had, zoo verklaarde zich ook Muller weder meer geneigd om aan te nemen, dat de sympathische zenuwen voor de onwillekeurige beweging dienden. Nadat een grondiger inzigt in het maaksel en den groei van vaat- en zenuwlooze deelen, en in de algemeene wetten van de ontwikkeling der organische ligchamen , het geloof aan den invloed der zenuwen op de normale voeding geschokt had, kon de poging worden gewaagd, de veranderingen der voeding en afscheiding, die op prikkeling of verlamming volgen, uit de inwerking van motorische zenuwen op de bloedvaten te verklaren. Zoodra echter de vezels van den sympalhicus in de rij der gewone bewregingszenuwen terugkeerden , werd haar oorsprong uit de hersenen en het ruggemerg waarschijnlijker.

Nogtans was het moeijelijk te gelooven, dat eene zenuw, die zich door haren zamenhang met andere zenuwen en met de centraalorganen, alsmede door hare peripherische verspreiding als zoonanig wettigde, in hoofdmassa uit indifferent, bloot omhullingsweefsel zou bestaan. En overweegt men, hoezeer de physiologisch meest verschillende orgaandeelen in vorm en stof naar elkander kunnen gelijken, let men b. v. op de overeenkomst eener epitheliumcel met eene kliercel, van eene haarvezel met eene gladde

(1) Allg. Anal. s. 158.

(2) Re/iert. 1833, s. 72. müller's Archiv, 1839, s. 137.

Sluiten