Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tin (1) ombuigende primitiefvezels af, zonder intusschen de waarneming voor volkomen zeker te verklaren. Aan de versche conjunctiva van den salamander heeft hij zich van het boogvormige uiteinde der primitiefvezels overtuigd (2). In de aan gevoelzenuwen rijke landpulpa loopen de zenuwstammetjes, die aan de binnenste oppervlakte liggen, nagenoeg evenwijdig, naar de punt toe een weinig convergerende; door enkele schuins overloopende vezels ontstaan langwerpige vlechten. Aan de punt der pulpa eindigen volgens Purkinje (3) de primitiefvezels, door bloedvaten omgeven, penseelvormig; volgens Yalentin (4) gaan zij telkens 2 aan 2 in steile booglijnen in elkander over.

Yan alle weefsels werd liet netvlies het meest onderzocht, in de hoop, dat men de fijnste peripherische uiteinden der zenuwen zoude aantreffen; maar slechts zelden zijn de zenuwen in het algemeen , om niet te spreken van hare uiteinden, waargenomen. Eene laag van fijne, staafvormige ligchaampjes aan de buitenzijde van het netvlies, door Treviiunus het eerst als ombuigingen der gezigtszenuwvezels voor zenuwtepeltjes gehouden, heeft de opmerkzaamheid zoo zeer tot zich getrokken, dat de eigendommelijke uitstraling van den nervus opticus daarbij door de meesten is over het hoofd gezien, of voor eene laag bindweefsel gehouden. Eerst later zal ik de overige weefsels, welke in de zamenstelling van het netvlies voorkomen, beschrijven, en daarbij ook op de ligging der zenuwlaaf moeten terugkomen; hier zij slechts met betrekking tot de vraag in questie aangemerkt, dat van de plaats af aan, waar de gezigtszenuw naar binnen gaat, de zenuwbuizen straalvormig naar alle zijden uiteengaan, dat zij van den aanvang af in bundels zijn gescheiden, welke , doordien zij menigvuldig en beurtelings primitiefvezels aan elkander afgeven, plexus met zeer lange mazen vormen, en dat naar voren toe de mazen allengs wijder en de stammetjes dunner worden (5). In de oogen van konijnen en

(t) t. a. p. lig. 4.

(2) Repert. 1837, S. 54.

(3) IUsciikow, Meletemata, p. 5.

(4) t. a. p. S. 73, %. 31, 32.

(5) gottscne in Müller's Arclnv, 1834, S. 457 c. n. PFATF's Mittheil, 1836.

Sluiten