Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heelt Treviranus een praeparaat der laatste soort voor zich gehad; als hij (van de spiraalplaat van jonge muizen) -vermeldt, dat de zenuwcilinders onder de oppervlakte der huid spiraalvormige windingen maken, en vervolgens uit kleine openingen als kogeltjes te voorschijn komen (1). Gottsche daarentegen (2) heeft welligt ombuigingslissen waargenomen, wier schenkels elkander bedekten. ITij beweert, dat bij den steur, karperen andere visschen de draden van den acuslicus zich als afgesneden vertoonen, maar bij de schol, ook bij den haas, met eene opzwelling eindigen, tweemaal zoo dik als de breedte van den zenuwdraad, en met eene holle in het midden. Wharton Jones laat de gehoorzenuwen zonder lisvorming tusschen korreltjes Tan zenuwmassa eindigen (5). J. Muller (4) verklaart zich tegen de door Valentin beweerde lisvorming der primitiefvezels van den nervus acuslicus, na een onderzoek van de spiraalplaat der vogelslak (15), tot welke Valentin zijn onderzoek niet had uitgestrekt. De spiraalplaat is op een raam van kraakbeen uitgespannen, aan welks éénen rand de nervus cochleae zich uitbreidt. Zoo ver dit geschiedt, komen van den tegenovergestelden rand van het raam fijnere vezels, die zich parallel en digt nevens elkander dwars over de spiraalplaat leggen, en, zonder in elkander om te buigen, onduidelijk eindigen. Deze vezels zijn volgens Müller zeer veel fijner dan de primitiefvezels der zenuwen, en, zoo als uit de daar volgende woorden blijkt, ook lichter. Muller zelf houdt het slechts voor waarschijnlijk, dat zij voortzettingen der zenuwvezelen zijn , welke het kraakbeen doorboren.

Van de buizen der reukzenuwen geeft Treviranus op, dat zij in papillen eindigen (6). Deze papillen zijn niets anders dan cilinders van het flimmer-epithelium.

(1) Beitriïge, II, 55.

(2) pfaff's Mittheilung 183G, Heft 5 cn 0, S. 33.

(3) Todd'S Cyclopaedia, Art. Hearing.

(4) Archiv, 1837, S. V.

(5) Verg. WlNj)isci]jiAN,\, De penit. auris in ampliibiis structurn, Tab. II, % 5.

(G) Beilriige II, 5ü.

Sluiten