Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanstonds te beschrijven kernhoudende vezels, welke aan de gangliënkogeltjes slechts uitwendig, maar vrij vast aanhangen. In jongere dieren zijn meermalen twee gangliënkogeltjes door eene commissuur verbonden (1) ; welligt zijn hunne verlengsels ten deele verscheurde commissuren. Bij voorzigtige behandeling vindt men steeds gangliënkogeltjes, die in een bijzonder omhulsel zijn ingesloten, waaruit zij uitvallen, wanneer men de knoopen op eene ruwe wijze aan stuk drukt of verscheurt; in dit omhulsel (fig. 7 , A) liggen kleine ronde celkernen (a, b), grootendeels met kernligchaampjes voorzien, vrij regelmatig geplaatst; zij worden door verdund azijnzuur duidelijker; enkele daarvan zijn dikwijls in donkere, ovale ligchaampjes of korte vezels verlengd.

Van de opeengehoopte gangliënkogeltjes hangt de gele kleur en de opzwelling der zenuwen in de gangliën af. Zij liggen in digte lioopen bijeen, de meer regelmatige en rondachtige aan de oppervlakte, de polyëdrische in de diepte der knoopen. Een vast bindweefsel, de voortzetting van het ncurilema, omvat alle en vormt septa, waardoor de kogeltjes in afzonderlijke massa's worden zamengevat, welke naar de kwabjes der klieren gelijken. liet ganglion verkrijgt aldus reeds uitwendig een meer of min moerbezieachtig voorkomen. Tusschen de kogels of kwabjes gaan de zenuwbundels ten deele onveranderd en regtuit heen, ten deele lossen zij zich in hunne primitiefvezels op, en winden zich in velerlei bogen en lissen om de afzonderlijke kogeltjes en hoopen daarvan. Maar ook de regtuitloopende zenuwbundels gaan uit elkander en vormen vlechten, in wier mazen gangliënkogeltjes opgenomen worden. In den regel blijven de zenuwvezels in de as des knoops het meest bijeen, en kronkelen zich en scheiden zich meer van elkander af naar zijne oppervlakte toe; nu eens is een centrale zenuwbundel van alle kanten met gangliënkogeltjes omgeven, dan weder hoopen zich de kogeltjes meer aan de eene zijde op, vormen eene op de zenuw geplaatste verhevenheid, of ook de zenuwvezels begeven zich grootendeels naar de oppervlakte, en de kern van den knoop bestaat hoofdzakelijk uit gangliënkogeltjes, enz. (2). Het is waar-

(1) Remak, Observ. p, 10. Valentin, MüUEr's ArcJriv, 1839, S. 1 <52.

(2) Vai.entjn, t. a. p. S. 75, fin;. 31—50.

Sluiten