Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarbij ik evenwel in de tegenovergestelde dwaling verviel , namelijk door alle kogeltjes voor omgerolde staafjes te verklaren. Ilier moet ik nog op eene andere bron van dwaling de opmerkzaam heid vestigen, waaraan men ook aan versche en zonder water behandelde oogen is blootgesteld.

ITet merg treedt namelijk terstond na den dood uit de zenuwbuizen der retina naar buiten, en verzamelt zich om deze, wanneer er ter bevochtiging niets anders dan het humor vitreus gebezigd is, in den vorm van grootere en kleinere, iets meer geelachtige en bleeke, oogensnhijnlijk zeer dunwandige blaasjes, die in het water oogenblikkelijk verdwijnen, omdat dit de eiwitlaag om de vetachtige droppeltjes oplost. Bij het verdroogen van het praeparaat worden daarentegen deze pseudo-kogelljes steeds duidelijker en donkerder; zij nemen vervolgens ook hoekige vormen aan, en worden gelijk aan de droppels, die ontstaan, wanneer men een met olie doortrokken draad over een glas of met water over eene vette oppervlakte strijkt. Hangt zulk een droppel met eene of meer punten aan .vastere deelen aan, ligt hij b. v. tusschen twee zenuwbundels, en trekken deze zich bij de indrooging terug, dan ziet men allengs, dat de droppels in punten en eindelijk in draden worden uitgerekt, die, bij eenen zekeren graad van fijnheid, van de zenuwvezels niet te onderscheiden zouden zijn, indien men niet het geheele proces van hun ontslaan had nagegaan.

Zijn nu de ware kogels of cellen der retina voor identisch met de gangliën-kogels, en alzoo voor wezenlijke deelen van de zenuwuitbreiding te houden ? Dit komt mij zeer twijfelachtig voor. Met de gangliën-kogels hebben zij slechts die kenmerken gemeen, die aan alle dierlijke cellen eigen zijn ; zij zijn echter in vorm, grootte en chemische eigenschappen daarvan zeer onderscheiden ; veel meer gelijken zij naar de cellen van de buitenste lagen der kristallens, en dit leidde mij tot het vermoeden, of zij niet veeleer tot de doorschijnende deelen van het oog zouden behooren, eene soort van epithelium en rete Malpighii zouden uitmaken als overtreksel der zenuwvezel, en gelijktijdig als steun voor hare ontplooijing. Deze wijze van voorstelling zal aan ieder schijnbaar aannemelijk toeschijnen, die uit het oog van een grooter zoogdier een stuk retina, geïsoleerd of met aanhangend glasachtig lig-

Sluiten