Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene soortgelijke opperhuid komt, zoo als boven vermeld werd, over de uitstraling van den acusticus in de ampullae en in het labyrint voor. Wij zullen ons niet verwonderen, jongere, dat is kleinere en rondachtige cellen, als ook geïsoleerde celkernen in eene diepere laag, zoowel onmiddellijk om de zenuwtakken van den opticus, als om die Tan den acusticus te ontmoeten.

De bloedvaten der retina loopen aan de voorvlakte der zenuwlaag, tusschen de kleinere cellen, die deze onmiddellijk bedekken. Zij blijven, wanneer staaljes en zenuwmerg na den dood als eene breiachtige zelfstandigheid (mergplaat) afgescheiden worden, op de vaste opperhuid der retina zitten i deze vormt alsdan de zoogenaamde vaatplaat der retina

Men weet, hoezeer ten allen tijde de meeningen omtrent het voorste uiteinde der retina verdeeld waren, terwijl een gedeelte der ontleedkundigen ze aan den rand der zonula laat eindigen, een ander hare voortzetting over het corpus ciliare en alzoo een pars dliaris relinae aanneemt. De stemmen Tan vroegere waarnemers hebben ScnNEiDER (1) en Lasgenbeck (2) bijeen Terzameld en zij zelve hebben zich Toor de laatste meening Terklaard, waarbij zich sedert ook Krause (3) en Yalextin (4) hebben geToegd. Y an een physiologisch standpunt werden daartegen bedenkingen en tegenspraak geopperd. Uit de hier en bij de beschrijTing der zonula medegedeelde feiten laat zich dit geschilpunt gemakkelijk beslechten. Dat eene laag van celkernen en cellen, als ook een structuurloos epithelium de processus ciliares overtrekt, en zich over de zonula naar de lenskapsel toe uitstrekt, werd Troeger opgegeTen. Hoogst waarschijnlijk is deze laag eene Toortzetting van de korreltjeslaag

het bewijs, dat zij gangliënkogeltjes zouden zijn, niet geleverd. Cellen met eene ronde centrale kern, die buitengewoon ligt kwetsbaar zijn . kunnen nog gebeel iets anders wezen dan gangliënkogeltjes: ja zij gelijken niet eens in de hoofdzaak naar de gangliënkogeltjes, daar deze zoo bijzonder ligt kwetsliaar niet zijn. Bidder voert ook de verhouding ten opzigte van azijnzuur als bewijs aan. maar hij zegt niet, hoe zij zich ten opzigte daarvan gedragen.

(1) Das Ende d. I\ercenhnnl, München, 1827, 4.

(2) De retina, p. 26.

(3) Anal. I, 416.

(4) Repert. 1837, S. 251.

Sluiten