Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drukken. Remak (1) zag, wel is waar, meermalen wijde bogen van primitiefvezels op de opgegevene plaatsen, en gelooft, dat zij gelijksoortig waren met die, welke Valentin tot de aanneming van centrale ombuigingslissen deden besluiten; maar hij bespeurde ook bogen, die naar de oppervlakte der hersenen toe geopend waren, en werpt tegen, dat golfvormig langs de oppervlakte loopende vezels, een kort eindweegs van haren loop geïsoleerd, ook wel den schijn van eindombuigingslissen kunnen doen ontstaan. Bij deze tegenwerpingen moet •intusschen niet over het hoofd gezien worden, dat Remak den oorsprong der zenuwvezels uit gangliënkogeltjes, welken hij in de ganglia meent aangetoond te hebben, ook in de hersenen meende te zullen vinden.

De graauwe zelfstandigheid (suhstanlia spongiosa, Rolando), welke zich gedeeltelijk aan de oppervlakte, gedeeltelijk binnen in de strengen en knoopen der witte zelfstandigheid bevindt, komt in verschillende nuancen van kleur en mikroskopische zamenstelling voor. De bastzelfstandigheid van de groote hersenen bevat het digtst bij de pia mater, in de mazen van een naauw en zeer fijn haarvatennet, eene weeke en op het eerste gezigt zeer fijnkorrelige zelfstandigheid (Plaat V, fig. 5, e), wier korreltjes aan die, welke zich op de oppervlakte der gangliënkogeltjes vertoonen, niet ongelijk zijn. Zij kleeft in zeer fijne deeltjes aan de binnenvlakte van de pia mater, en kan gemakkelijk onderzocht worden, wanneer men deze voorzigtig aftrekt en zoo toevouwt, dat hare binnenste oppervlakte den rand vormt. Bij fijne, of eenigzins zamengedrukte, of met verdund azijnzuur behandelde deeltjes van graauwe hersenzelfstandigheid bespeurt men in de fijnkorrelige massa grootere, lichte blaasjes, die zich bijna als openingen voordoen (fig. 5, cl); enkele hunner steken echter buiten den rand uit, of drijven vrij rond. Zij zijn nu eens digt opeengedrongen, dan weder in grootere tusschenruimten verstrooid, kogel- of eivormig, zelden afgeplat (c), en bevatten een of twee donkere korreltjes (ia,b), die aan den wand of ook in het midden liggen. De grootte der meesten gaat de grootte der gewone celkernen niet te boven; echter komen er vele van 0,006'" in doormeting en daar-

(1) Observ. p. 21.

5*

Sluiten