Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nuwvezel veranderingen van daarmede zamenhangende gangliënkogels ten gevolge heeft, zoo als de alteratie van een orgaan, hetwelk zijn voedsel regtstreeks uit het bloed ontvangt, telkens alteratie der bloedmenging na zich sleept. Nu weet men reeds uit de anatomie van het zenuwstelsel, dat elke primitiefvezel met vele gangliënkogels en wederom elke gangliënkogel met een aantal primitiefvezels in aanraking is: wordt dien ten gevolge van uit eene vezel een gangliënkogel of eene reeks daarvan veranderd, dan zou zich door middel van deze kogels de verandering tot alle vezels uitstrekken, wier toestand van de veranderde kogels afhankelijk is. "Wanneer daarbij de eene of andere weegbare of onweegbare zelfstandigheid direct uit het bloed of indirect door de gangliënkogels op de geprikkelde zenuwen overgaat, dan zou het zich laten begrijpen, hoe zij op een grooteren of kleineren afstand van het brandpunt der prikkeling zou kunnen ontbreken, en op die wijze in den omtrek van de opgewekte gedeelten eene depressie zou kunnen ontstaan , waarop juist de antagonistische verschijnselen berusten. Waarin echter de grond gelegen is, dat dezelfde zenuwen nu eens in eenen sympathischen, dan weder in eenen anta<*onistischen consensus staan, en onder zekere zenuwen sympathie, onder anderen antagonismus menigvuldiger voorkomt, schijnt mij nog geheel en al onoplosbaar toe.

In de onderstelling, dat de krachten der gangliënkogels overal dezelfde zijn, kan men vermoeden, dat de zenuwknoopen als het ware hulporganen voor de voeding der zenuwen zijn, en dat tevens binnen in dezelve evenzoo een mededeeling tusschen de zenuwen, welke door haar heenloopen, plaats heeft. Yoor het laatste levert de waarneming eenige bewijzen. Als men het darmkanaal van een pas gedood dier digt bij het mesenterium afsnijdt en prikkelt, dan ontstaat er eene ringvormige zamentrekking, die een kort eindweegs peristaltisch voortgaat; wordt het darmkanaal met het mesenterium uitgesneden, zoo dat de knoopen der darmzenuwen of ten minste een gedeelte daarvan met het darmkanaal verbonden blijven, dan kan men van eene geprikkelde plaats uit de peristaltische beweging zich reeds veel verder zien uitstrekken; zoo lang het darmkanaal nog met het ruggemerg in verband staat, geraakt het door prikkeling van eene plaats in zijne geheele lengte in be-

Sluiten