Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit het overzigt van deze verschijnselen blijkt, dat de consensus tusschen het denkorgaan en de overige deelen van het zenuwstelsel zich nu eens door sympathische, dan weder door antagonistische opwekking openbaart. Reeds op eene andere plaats (1) heb ik getracht de verhoogde prikkelbaarheid der ligchaamszenuwen in den slaap en de flaauwte uit een antagonismus tusschen de ligchaamszenuwen en het denkorgaan te verklaren; in het eerste geval schijnt zoodoende de tonus toe te nemen, even als hij in het laatste vermindert. Zou men niet de extase en werkelijk verhoogde scherpte van geest bij hen, die aan inwendige verlammingen koud vuur sterven, lot denzelfden grond mogen terugbrengen? Antagonistisch vermindert verder de tonus in de ligchaamszenuwen bij ingespannen denken en op één punt uitsluitend gevestigde aandacht: vandaar de slapheid van aangezigt, het openstaan van den mond, de langzame en diepe ademhaling, misschien zelfs de geringere gevoeligheid; en evenzoo wordt eindelijk de levendigheid van psychische aandoeningen door de ligchamelijke werkzaamheid verminderd ; de hartstogt wordt uitgeput door weenen, lagchen , tieren, schreeuwen ; men matigt ze willekeurig door gezigtentrekken, hoofdschudden en dergelijken. De voorwaarden echter, volgens welke in enkele gevallen sympathie of antagonismus ontstaat, wilden mij hier niet duidelijker worden, even als bij de betrekkingen der ligchaamszenuwen onder elkander. Zoo als vermeld is, worden dikwijls bij het nadenken de gelaatstrekken slapper; zij worden echter even dikwijls meer gespannen; de ligchaamsbewegingen, b. v. het gaan, worden somtijds vergeten, soms ook met groolere hevigheid voort gezet. Elke aandoening kan bleek en rood doen worden, somtijds beide na elkander, nu eens eerst bleek en dan rood, en dan weder omgekeerd. Dit is ook niet individueel, maar hangt van andere toevalligheden af; want hetzelfde individu wordt b. v. in toorn van daag rood en morgen bleek. Slechts dit is een regel, ofschoon ook niet zonder uitzondering, dat bij algemeene irradiatie de opwekking van de sensibele en de eigenlijke spier-zenuwen aan den eenen, en van de vaten van het bindweefsel en de luchtpijptakjes nan den anderen kant in omgekeerde rede vermeerdert of vermindert.

(1) Palho!. VnlersS. 131, 111.

11

Sluiten