Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene proef van Steinrueck reeds na vijf weken; maar zells na drie maanden en langer vertoonden zich soms de eerste sporen van weder aanvangende werkzaamheid. De primitiefvezels zijn op de plaats der doorsnede rondachtig, voor het overige onveranderd, even als ook Gluge ze in amputatiestompen zag (1); bij onvolkomene regeneratie zag Steinrueck, even als vroeger Fontana, enkele zenuwbundels van den slomp als witte, conische verlengsels in de zelfstandigheid van het litteeken uitsteken. H. Nassk merkt op, dat de vezels boven de plaats der doorsnede iets dikker zijn dan in dé daarmede overeenkomende onbeschadigde zenuwen, of ten minste zich ligter kronkelen, waardoor zij zich dikker voordoen. De tusschen de zenuwstompen afgezette plastische lymphe is derhalve als het ware het cytoblasteem van de nieuw te vormen zenuwvezels, en kan zich onder gunstige omstandigheden zoo metamorphoseren, dat zij tamelijk veel overeenkomst met normaal zenuwweefsel vertoont. In de meeste gevallen echter blijft het litteeken wanstaltig, eeltachtig, en de geleiding wordt slechts hersteld door enkele zenuwvezels, die door het litteeken heenloopen. De vezels loopen hierin , met bindweefseldraden omsponnen, nu eens evenwijdig aan elkander, dan weder elkander overkruisende. Zij hebben, volgens Steinrueck , Günther en Sciiön , geheel en al het voorkomen van normale primitiefvezels (2); volgens Nasse zijn zij iets smaller.

De herstelling van de verrigting in doorgesnedene zenuwen behoort tot de feiten, die onbegrijpelijk schijnen, wanneer men de zenuwen voor bloote geleiders tusschen bepaalde punten der peripherie en hieraan beantwoordend gerangschikte punten van de centraalorganen houdt; want het is ondenkbaar, dat uit eene massa van doorgesnedene uiteinden telkens de beide aan elkander passende uiteinden van eene vezel elkander vinden zouden, en toch zou zich, indien dit niet geschiedde, eene ongeneeslijke verwarring in de gewaarwordingen en bewegingen voordoen. Wanneer

oudere litteratuur); H. Nasse, in JIüuer's Archio. 1839, S. 405; GiiNTnER en Scuün• t. z. p. 1840, S. 270.

(Ij l'Instilut, 1838, NJ. 232.

(2) Steinrdeck, Tab. II, fij. 4.

Sluiten