Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het maaksel van de zenuwen werd reeds door Lr.ro wemioek niet merkwaardige naauwkeurigheid beschreven. De zenuw bestaat, volgens bein, uit zeer fijne vaten of buizen, die overlangs loopen;eene zenuw ter dikte van een baar bevat 16 buizen. De bolle (de cylinder axis of bet lichte centrale gedeelte, na stremming aan de peripherie) heeft ongeveer 1/3 v;ul de doormeting der geheele buis. Op dwarse doorsneden van de zenuw vertoonen zich kleine heuveltjes, die daardoor ontstaan, dat de doorgesneden buis zich zamentrekt en den inhoud naar buiten drijft. Men ziet ook in het water, waarmede men doorgesneden zenuwen bevochtigt, eene groote menigte deeltjes drijven, die waarschijnlijk uit de buizen afkomstig zijn; men kan ze somtijds reeds binnen in de buizen onderscheiden, lïij fijne doorsneden ziet men de afzonderlijke buizen, en in elk daarvan eene donkere, langwerpige streep, de zamengevallen holte, liet ruggemerg verhoudt zich bij overlangsche en dwarse doorsneden, even als eene zenuw ; alleen schijnen de buizen iets grooter. (Opp. II, 309, fig. 1—3. De en 5ie figuur, die zenuwen met eene bijzonder duidelijke holte moeten voorstellen, zijn zonder twijfel afbeeldingen van fijne vaatjes van het ruggemerg.) De n. opticus bestaat, volgens LEEUWENHOEK (I, b, 102), uit vezels, optimo jure vasa nominandis, die met langzaam voortdrijvende kogeltjes gevuld zijn. Leeowenhoek was minder gelukkig in de anatomie der hersenen, die hij eerst droogde en dan in fijne doorsneden onderzocht (p. 328); de nu en dan vrij regelmatige zoogenaamde fibrillen tusschen de buizen zijn slechts spleten of scheuren tusschen de bundels der gedroogde zenuwzelfstandigheid. Hij vond echter ook in de hersenen van een visch en die van een os (I, «, 37; II, 433) vezels of buizen , waarvan eenige even dik waren als de buizen der zenuwen, de meeste veel fijner. Uit de graauwe zelfstandigheid beschrijft hij (I, «, 30) grootere en kleinere korreltjes, waarvan hij aanneemt, dat zij door stremming der zelfstandigheid ontslaan zijn. In de mergzelfstandigheid waren kogeltjes, uit eene dunne, doorschijnende, olieachtige stof, zoo vast verbonden, dat zij, bij eene poging om ze van elkander te scheiden , zich tot bet dubbelg hunner lengte lieten uitrekken; zij schenen inct draden in den vorm van een net doorweven. Het schijnt, alsof ook Leedwenhoek reeds het geïsoleerde beloop der zenuwvezels inet de volgende woorden heeft willen aanduiden (II, 351): Perexiliu vascula, e quibus maximum parlem nervus contexitur, suis etiam amiciuntur tuniculis; haud secus atque renne et arteriae• Istae tarnen tuni culae non inter se conglutinatae sunt, vel coalitae: verum, quod saepius observavi, cuilibet ncrvultt suus seorsum assignatus est locus; quilibet membranula sua contegitur, elc.

De door Ledermüller afgebeelde zenuwbuizen uit den n. opticus (Mikr. Gemüths- und Augenergötzunff, 17G3, Taf. LI) zijn alleen de scheeden van secundaire bundels, waaruit het merg met de primitief huizen is uitgeperst.

Della Torre (Nuove Osserv. 17G, p. 5G, Taf. IX, fig. 1—8) vond niets dan kogelljes in de bast- en mergzelfstandigheid van de hersenen; maar bij merkt op, dat de kogeltjes de neiging bezaten , om zich door drukking in overlangsche rijen met elkander te verbinden; ook de gezigtszenuw en andere zenuwen (fig. 9—12) bestaan uit kogeltjes, die zich van zelf en door drukking tot draden aaneenvoegen. Evenwel konden bij den n. ischiadicus de kogeltjes niet meer duidelijk

III. - 12

Sluiten