Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderscheiden worden; men zag zc slechts hier en daar in de lusschenruimtcn \an de draden. Hoe verder de kogeltjes zich van de hersenen verwijderen, des te grooter is hunne neiging otn draden te vormen. Dezelfde wet, die wij heden uitspreken , maar slechls omgekeerd: hoe verder de draden van de hersenen, des te geringer hare neiging om in kogeltjes te worden ontleed. Van de retina (lig. 13) schijnt Deila Torre slechls de vaten gezien te hebben: het waren netvormig verbonden draden, met sporen van kogeltjes, waaruit zij zamengesteld zijn.

De physiologen hadden tot dien tijd toe, onafhankelijk van de anatomische onderzoekingen, een met het bloed analoog zenuwvocht aangenomen, dat in dc hersenen door de klierachtige , graauwe zelfstandigheid bereid, en door de zenuwen naar de peripherie gevoerd werd. Della Torre schreef nog aan de kogeltjes zulk eene .circulatie toe. Procüaska [Struct. nerv. 1779) bestreed deze hypothese door onbevooroordeelde waarnemingen, liet zenuwmerg (daaronder verstaat hij de zen uwzelfstandigheid, met uitzondering van het neurilema en zijne verlengsels naar binnen, derhalve scheede en inhoud der primitief huizen te gelijk) houdt hij ongetwijfeld voor eene voortzetting van het hersenmerg; het merg zou ook overal uit kogeltjes gevormd zijn (p. 68); maar de kogeltjes zouden zich niet kunnen bewegen, en niet drijven in eene vloeistof, zoo als bloedkogeltjes, maar digt en vast aan elkander liggen, zoodat zij zelfs door lange maceratie niet van elkander gescheiden worden. Zij zijn niet alle even groot, onregelmatig rond; het onderscheid tusschen het merg van de hersenen en dat der zenuwen bestaat slechts daarin, dat in dit laatste de kogelljes meer in overlangsche rijen met elkander verbonden zijn. liet behoeft naauwelijks opgemerkt te worden, dat Procdasea het gestolde zenuw merg, zoo als het zich geruimen tijd na den dood voordoet, voor zich gehad heeft.

Op de dwarsstrepen der zenuwen heeft Molhseili het eerst de opmerkzaamheid gevestigd (Continent. Bonon. III, 1755, p. 282, fig. 1,2) en ze voor de grenzen van afzonderlijke cellen gehouden. Fontana (Vipemgift, S. 362) verklaarde ze naauwkeuriger: hij kon ze alleen bij eene zwakke vergrooting waarnemen; met sterkere lenzen beschouwd, scheen de zenuw hlootelijk uit evenwijdige, zeer fijne en gekronkelde draden te beslaan, Fontana maakte hieruit het besluit op, dat de gekronkelde draden aan het bloote oog den indruk van dwarsstrepen gaven. Ten onregle heeft men later met Prêvost en Domas deze strepen alleen aan het neurilema willen toeschrijven. De draden, die Fontana primitieve zenuwcilindcrs noemt, kwamen hem doorschijnend voor, uit een fijn vliesje gevormd , met een licht, geleiachtig vocht en kleine kogelljes of ongelijke ligchaampjes opgevuld (p. 368). Hij zag andere, waarvan men gedacht had, dat zij met eene geleiachtige zelfstandigheid waren opgevuld, die hier en daar geborsten en in verschillende deelen gescheiden waren, zoodat men de gelei van den cilinder als afgebroken, of in groole doorschijnende onregelmatige massa's verdeeld, beschouwen kon. Eindelijk Icwam hij zoo ver, dat hij zich verzekeren kon, dat de wanden der oorspronkelijke cilinders geheel en al knobbelig en vol oneffenheden waren. Als hij de punt eener naald langs de zenuw liet gaan, om de cilinders van een te scheuren of van de oneffene oppervlakte te bevrijden, verkreeg hij er een, waarvan de helft uit eenen doorschijnenden en gelijkvormigen draad bestond, terwijl de andere helft bijna tweemaal zoo dik, ongelijk en bultig was; hij leidde nu hieruit af,

Sluiten