Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merg, had Henle azijnzuur aanbevolen, waardoor liet merg wordt uitgedreven; vlllntin ('Haudwörterb. der Phys. Art. Geivebe) beveelt tot hetzelfde doel wijnsteenzuur, waardoor het merg wordt aangedaan, op enkele plaatsen loslaat, en zoodoende ingetrokken plekken, waar alleen het zaamgetrokken omhulsel aanwezig is, overblijven. KoLLIKER (Mikrosk. Anut. p. 395) verwerpt het door Henle gebruikte azijnzuur (volgens dezen ten onregte), en behandelt de zenuwbuizen, om het merg er uit te drijven, met bijtenden natron; terwijl hij door koken in alkobol en volgens in acid. neet. concentr. den inhoud der zenuwbuizen met terugblijven van den ascilinder wil uitgedreven hebben; rookend salpeterzuur, en later toevoeging van kali, zou het vet in hleeke droppels doen te voorschijn komen, den ascilinder oplossen, het ledige omhulsel geel gekleurd en wat opgezwollen overlaten. Het omhulsel stelt Kolliker, op grond der verhouding tegen chemische reagentiën , in de nabuurschap van het elastisch weefsel, hoewel het laatste meer weerstand biedt aan alcaliën; hij stemt daarin met Melder en Lebmann overeen. De laatstgenoemde houdt met Kölliker den ascilinder voor ecne hoofdzakelijk eiwitachtige stofte. Leumann (Physiolog. C/tem. III, p. 117. 1851) zegt ten slotte, dat de door Henle voorgestane meening, volgens wien het zenuw merg geene emulsie, maar eene werkelijke oplossing of chemische verbinding is, naauwelijks meer betwijfeld kan worden. Volgens f,. steekt de ascilinder even als de pit eener kaars uit de zenuwhuizen uit, indien men ze met zoutzuur (geconcentreerd) of met salpeterzuur behandelt; bij koken van het praeparaat. met alkohol wordt de ascilinder nog duidelijker. Pcrkinje raadt sublimaat-oplossing aan.

Volgens Stars (Edinb. med. and surg. Journ. 1844, p. 289) blijft het zenuwmerg op een verwarmd glasplaatjc onderzocht vloeibaar, maar wordt pas korrelig bij bekoeling; volgens Bidder wordt het door rotting weder tamelijk helder en doorschijnend. Omtrent den ascilinder nu, die (zie boven p. 185) door Henle in overeenstemming met Valentin en Bdrdacd voor het centrale nog niet gestolde deel van het zenuwmerg gehouden is, zegt hij (1845), na vermelding der meening van Hannover, die den ascilinder reeds vóór de stolling als een troebele strook wil waargenomen hebben, en hem zelfs in de fijnste hcrserivezels niet miste, dat hij meer en meer zijne boven uitgesproken twijfeling (p. 18) blijft vasthouden, ja daarin nog verder gaan moet, naarmate hij de eigenaardigheden van het zenuwmerg meer leert kennen. Men wete, dat uit de vormlooze massa der grijze hersenstof, even als uit uitgevloeid zenuwmerg, kogels en vlekken zich vormen, welke nu eens geheel hleeke, dan weder donkere, soms dubbele omtrekken hebben; dat zich deze kogels tot draden van soortgelijke gesteldheid, die namelijk met regie of met varikeuze randen en zelfs met eenen ascilinder, zoo het schijnt, voorzien zijn, laten uitrekken. Men heeft met eene zeer taaije, rekbare en kleverige stof te doen, welke in water alleen in den beginne nog vloeibaar is, later echter vast wordt, en derhalve dan de eenmaal aangenomen vormen niet ligt weder laat varen; met eene slof, die, even als vet, het licht breekt, en evenzoo. in dunne lagen gezien, bleek, in dikkere donker zich voordoet. Platte strepen daarvan zijn dus op de vlakke zijde bezien bleek, op hun kant staande donker; varikeuze draden van dezelfde stof schijnen aan de opzwellingen donker, aan do dunnere plaatsen bleek, en deze lichtere insnoeringon

Sluiten