Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inderdaad zenawvezels zijn, wordt door deze waarnemingen weder wat waarschijnlijker, enten deele worden de bezwaren daardoor uit den weggeruimd, die Köilikeu tegen Remak in liet midden brengt. Opmerkelijk blijft nog steeds de door Vaientik bet eerst in het licht gestelde zamenhang der REMAK'sche vezels niet de scheeden der gangliënkogels. De gelatineuze vezels met bindweefsel gelijk te stellen, verbiedt bet verschil in chemische zaïnenstelling.

Reeds een jaar vroeger, namelijk in 1849, zag men allengs de algemeene stemming Ier gunste van de remak'sche of gelatineuze vezels als werkelijke zenuwvezels zich verklaren. Alleen Kouikeu kon zich daarmede nog niet vereenigen, en schreef de grootere dikte der miltzenuwen bij het rund , bij vergelijking met die van den inensch en het zwijn, aan de bij het eerste dier buiten verhouding sterke ontwikkeling van fibreus weefsel in den vorm van remak'sche vezels toe. De waarnemingen en metingen, waarop hij zich beroept, leeren eigenlijk alleen, dat bij het kalf de miltzenuwen uit zeer fijne in het geheel met geen donkeren rand voorziene (remak'sche) vezels bestaan, even als men dit in de pacinische ligchaampjes en aan den olfactorius aantreft, zonder dat men daaruit een besluit voor den stand van zaken bij het volwassen dier mag trekken. Ecker , die dezelide waarneming maakte, dat namelijk zenuwtakjes alleen uit remak'sche vezels bestonden, en deze, soms geheel op zichzelve staande, naar miltblaasjes verloopen zag, gelooft juist daarom hare beteekenis als zenuwvezels niet te mogen ontkennen. Hetzelfde is liet oordeel van Geriach (Handb. der Gewehelehre 1848, p. 376, 379) hoofdzakelijk op grond der gelijkheid van gelatineuze met embryonale zenuwvezels en der door hemzelven, gelijk ook door Broch , bevestigde waarneming van Todd en Bowman (waarover boven reeds), dat de uitbreiding van den nerv. ol factor het karakter van gelatineuze vezels draagt.

Wij moeten thans stilstaan bij een ook physiologisch hoogst belangrijk geschilpunt, namelijk de al of niet zelfstandigheid van den nervus symjiathicus, die men door zuiver anatomisch onderzoek trachtte uit te maken. Men vergunne ons,om den gang van dit geschil vollediger te kunnen overzien, den hoofdinhoud hier weêr te geven van Bidder en Volkmann's verhandeling, getiteld: die Selbstandigkeit des sympalliisclien Nervensystems, durch anatomische Vntersuchungen nachyewiesen, Leipzig 1842; zij vatten die in de volgenden stellingen zamcn.

I. Er zijn in de zenuwstrengen twee soorten van vezels, die in verscheidene punten wezenlijk onderscheiden zijn.

Die der eerste soort vertoonen, wanneer zij niet geheel versch zijn, en zelfs dan nog dikwijls, dubbele omtrekken, en als inhoud eene schijnbaar brokkelige stof. Zij zien, in bundels vereenigd, er altijd wit uit, loopen met zeer zeldzame uitzonderingen naar de periplieric, ook in die gevallen, waar zij uit de eene zenuwbaan in eene andere overgaan, dus slechts naar ééne rigting. Deze vezels zijn in den regel tweemaal zoo breed als die der tweede soort.

llier tegenover staan de kenmerken der tweede soort van vezels als volgt: deze vertoonen zich bijna altijd, en zelfs lang na den dood, met enkelvoudige omtrekken. Gewoonlijk is er geen inhoud op te merken. In bundels bijeenliggende, hebben zij zeer dikwijls een grijs aanzien, 't geen niet afhangt van de bijmenging va» vreemde bestanddeelen, Zij loopen, bij den overgang in cpne andere zenuwbaan,

Sluiten