Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

even zoo dikwijls naar liet middelpunt toe als naar de peripherie, dus meest naar beide rigtingen. Deze vezels zijn in den regel tweemaal smaller dan die der eerste soort.

(I. De vezels der eerste soort hebben gewoonlijk in die zenuwen de overhand, van welke men kan aantoonen, dat zij uit de hersenen en bet ruggemerg ontspringen, ten minste wanneer zij geen toevoer van den n. sympatliicus ontvangen. Men vindt ze daarentegen in den n. sympatliicus slechts daar, waar bare tegenwoordigheid door vertakkingen met de zoogenaamde animale zenuwen begrijpelijk wordt, weshalve bet geoorloofd schijnt ze cerebro-spinale vezels te noemen.

III. De vezels der tweede soort hebben in de sympathische zenuwen verreweg de bovenhand, zoo zelfs, dat zij B9/m0 , ja meer, van de hoofdbestanddeelen uitmaken. Ook in andere zenuwen komen zij zeldzamer voor , en baar aantal staat (ten minste bij sommige dieren en in bepaalde zenuwen) in evenredigheid met de vezels , die deze van den sympatliicus ontvangen hebben. Daarom schijnt het niet ongepast, deze tweede soort van vezels voorloopig sympathische te noemen.

IV. De cerebro-spinale vezels komen in het embryo vroeger tot ontwikkeling, zijn in vroegere ontwikkelings-tijdperken aan de sympathische gelijk, en staan in dit opzigt boven de andere; zij zijn elementen van een hoogere orde.

V. Op plaatsen, waar beide soorten naast elkander liggen, worden in de meeste gevallen geen overgangsvormen gevonden, ofschoon, wegens de afwisselende diameters der primitiefvezel in verschillende zenuwbanen, de dunste cerebro-spinale vezels van de eene plaats van het ligebaam soms naauwelijks dikker zijn dan de dikste sympathische vezels van eene andere plaats.

VI. Waar sympathische vezels in cerebro-spinale zenuwen voorkomen, zijn zij geneigd in bundels bijeen te liggen.

VII. Ofschoon in de grootere cerebro-spinale zenuwen beide vezelsoorten tamelijk gelijkmatig gemengd zijn, zoodat men eene dergelijke zamenstelling ook in de kleinere takken vermoeden zou, zoo vindt men toch in deze nu eens de eerste, dan ■weder de tweede soort van vezels in grooter aantal, ja soms hij uitsluiting aanwezig.

VIII. Zenuwtakken , die naar willekeurige spieren gaan, bevatten bij alle gewervelde dieren eene veel grootere boeveelheid van breede dan van fijne vezels.

IX. Die, welke naar onwillekeurige spieren gaan , bevatten bijna uitsluitend fijne vezels.

X. De zenuwen der uitwendige bekleedselen bezitten over het algemeen van geen der beide soorten eene in het oog loopende meerderheid.

XI. De met duidelijke gewaarwording begaafde slijmvliezen hebben bijna altijd in hunne zenuwen eene overmaat van sympathische vezels.

XII. De slijmvliezen, welke in gezonden toestand weinig of niets gevoelen, bevatten nagenoeg uitsluitend sympathische vezels.

XIII. De ingewanden der borst- en buikholte hebben zenuwen, waarin de cerebro-spinale vezels bijna geheel ontbreken.

XIV. De sympathische vezels ontspringen bij den kikvorsch voor verreweg bet grootste gedeelte uit de zenuwknoopen van de achterste ruggemergzenuwen en van den sympatliicus, want

1°. geven de verbindingstakken, door welke de sympatliicus met de ocrebro-

Sluiten