Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ben; nicl alleen de uitkomst, ook de loop van liet onderzoek komt voorbelde in vele opzigten overeen. Wagker toch bad iri zijn voorloopig heiigt op bet einde van 181 (i gezegd,,, dat in de centraalorganen van de vissclien (torpedo), die liet ondervverp zijner nasporingen waren, alle garigliöncellen, in plaats van twee, meer uil loopers schenen te bezitten, en dat deze naar alle kanten stervormig uitschietende verlengsels zelve zich ook veder vertakken zouden. Beck zag, bijna te gelijker tijd , uit de gangliënkogels van hersenen en ruggemerg fijne zenuw vezels ontspringen, toen bet Wagner nog niet gelukt was den uit hetgeen hij zag hoogstwaarschijnlijk te noemen overgang van de uitloopers der gangliëncellen in zenuw vezels direct waar te nemen. Volgens Wagner en Bidder heide, ontbreekt aan de cellen hier de scherpe omtrek, die er elders aan eigen is; bier vindt dus hetzelfde plaats als bij de vezels der hersenen, die ook geen donkeren omtrek hebben. Het ontspringen van vezels uit gangliënkogels, hoe waarschijnlijk het hem na IIannover's beweren ook voorkwam, kon Bidder niet bevestigen. Deze onderzoeker gelooft twee soorten van gangliënkogels ook in de hersenen te mogen onderscheiden, kleinere en grootere; de meeste der aan de laatste soort eigene uitloopers hield hij voor kunstproduct. Axmann (De gangliorum systemalis strurt. penit, 1817) trof in het ruggemerg van kikvorschen en tritons bipolare gangliënkogels aan, uit welke een zenuwvezel naar de peripherie, eene andere naar bet centrum ging; dergelijke gangliënkogels waren intusschen zeldzamer dan de uriipolare.

Even als voor deganglia , stelde Köliiker (Zeitsch.f. wissensch. Zuöl. B. I, p.135) voor de hersenen en het ruggemerg vrije gangliënkogels vast, benevens andere met één, twee of meer uitloopers; die met één uitlooper zouden somtijds, die met meer dan twee nimmer, in zenuwvezels met donkere omtrekken overgaan. Volgens WaGNER, die dezelfde vier soorten van gangliënkogels voor de grijze stof aanneemt, hebben de veelstralige de bovenhand in het ruggemerg, en vooral in het verlengde merg en in het crus cerebri. Den overgang der uitloopers in echte zenuwvezels heeft Wagker, nadat zij door Lecckart in de hersenen eener TOjarige oude vrouvv op den bodem van den ventrio. qunrtus, in de substantia ferruginea ontdekt was, herhaalde malen kunnen nagaan. Bij die gelegenheid troffen zij ook de verbinding en vergroeijing van twee ganglieneellen aan. In bet corpus dentalum en olivare, inde substantia nigra verzekert W. vele bipolare kogels met werkelijk dubbele vezels, die er uit ontsprongen, gezien te hebben. Op zeer vele plaatsen der hersenen en in de hoogere zintuigzenuvven waren slechts kernen en gangliënkogels zonder uitloopers en zonder verbinding met zenuw vezels, alles te zamen in eene fijnkorrelige massa gehuld, voorhanden. Volgens Schroeder van der Kolk (Aanteele. vun het Provinc. Vtr. Gen. 1848), die fijne doorsneden van in wijngeest verharde hersenzelfstandigbeid onderzocht, zijn de ganglieneellen zonder uitzondering met uitloopers voorzien. Ook Koluker houdt het in zijne Mikrosk Anat., p. 482, voor waarschijnlijk, dat de apolare, die men vindt, toevallig verminkte cellen zijn; verreweg de meeste ganglieneellen der cent raai-organen beliooren tot de veelstralige met vertakte uitloopers.

Köli iker's handboek is rijk in details betreffende de gangliënkogels der menschelijke centraalorganen. In het filum terminale, p. 423, bestaat de grijze weeke massa uit ronde, van 0,005"' tot 0.006'" groote, kernhoudende bleeke cellen en talrijke

III. 14

Sluiten