Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier lic-eft de venlceling haar einde niet bereikt: want uit deze scli ij 111 ui re netten komen weder alleriijnste takjes, die de elcctrische cellen met een fijn maaswerk omspinnen. Die netten intusschen, zoo als Wagner tegenover Savi zich overtuigde, zijn geen ware verbindingen of versmeltingen van de eene vezel met de andere, maar fijn uitloopende vezeleinden, die, digt in elkanders nabijheid verloopende, vaak op en over elkander liggen. De lioofdvezcl verliest in de takken allengs merg en dubbelen omtrek; de fijne takjes zijn bleek en niet meer dan lijntjes, zonder omtrekken. De omvang van de gezamentlijke takken is grooter dan die van den stam. Gelijktijdig met Sa'vi, althans vóór AVagner's mededeeling, hadden Jod. Muller en Brücke, bij eene reeks van waarnemingen op de oogspieren van den snoek, in plaats van zenuwlissen, zeer vaak werkelijke verdeelingen van primitief-buizen in twee buisjes gezien; ja, zij hadden gevallen ontmoet, waar aan een en dezelfde vezel twee tot drie op elkander volgende verdeelingen konden overzien worden, zoodat zij die peripherische verdeeling der zenuwbuizen als kenschetsend voor dc spieren beschouwen (Joh. Mulleus Iltmdb. der Phys. ile Aufl. 1844 , B. I, p. 524). YVagner en anderen hebben die ontdekking bevestigd en uitgebreid. Aan de oogspieren van kikvorseben en visschen kan men zich, mits zij zeer versch zijn, (want al zeer spoedig treedt na den dood eene soort van stolling van het interstitiële plasma en van de spierzelfstandigheid in, die de waarneming belet) gemakkelijk overtuigen van een verschijnsel. dat bij elke dierklasse en ook in het hart en in organische spieren is waargenomen. Met bijzondere zorg heeft Reichert de peripherische verspreiding van een beweegzenuw in eene dunne huidspier van eene rana temporaria nagegaan. (K. B. IIeichert XJeber das Verhalten der Nerven-faserti etc. etc. 1851. Müllers Arr/t. Heft I. p. 29.) llit herhaalde onderzoekingen van met 10 proc. kali-oplossing doorzigtig gemaakte praeparaten ontleende bij zijne beschrijving van hetgeen bet meest regel bleek te zijn. De vermeerdering der vezels door deeling is zoo aanzienlijk, dat een met 7—10 vezels in de spier tredend zenuwstammetje met 290—340 terminale vezeltjes eindigt. Vervolgt men die vezeltjes van het stammetje hooger op terug, dan bemerkt men, dat zij ook daar reeds door verdeeling in aantal toenemen. De verdeeling in tweeën is de meest gewone; die in drieën is niet ongewoon; die in 4 of 5 vezels is zeldzaam en komt alleen aan de eindvertakking voor. Bij de verdeeling worden de vezels plotseling smaller. Uit de eerste verdeeling volgen óf alle óf tenminste één vezel, die tot de hreede soort hehooren ; de breedc vezel der eerste verdeeling kan bij eene tweede en zelfs bij eene derde verdeeling dezelfde afmeting behouden ; maar eindelijk lossen toch sleeds alle hreede vezels zich in dunne op. Deze smalle vezels eindigen zelden onmiddelijk, meestal door eene ver uitgebreide vertakking. Als minder wezenlijk en als gevolgen van drukking, van stolling van bet merg enz., beschouwt Iï. de plotselinge plaatselijke verdikking van smalle vezels, zoodat zij op breede gelijken, de insnoering van deze, enz. Door drukking tan men het merg uit den stam in de takjes drijven. De vertakking volgt geen bepaalde rigting, boewei zij de spiervezels meestal dwars of schuins overkruisen. Het uiteinde van het zenuwvezeltje op de spiervezel loopt in een punt uit van 0008'" breedte; verdere verfijning kan men met de sterkste vergrooting niet ontdekken. Soms schijnt het uiteinde van

Sluiten