Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zenuw \ezel wat gezwollen. Men ltan rekenen, dat elke spiervezel niet een terminaal zenuw vezeltje in aanraking komt. Duidelijke anastomosen of lissen , waartegen ook R. AVagner zich na zijne jongste onderzoekingen verklaart, waren nergens te hespeuren. Enkele zenuwvezels in de spier wijken van de pasgegeven beschrijving af; zij zijn smaller, worden ligler varikens, vertakken zich zelden, en dan slechts dichotomisch, en doorloopen de spier in groote hogen naar alle rigtingen; of zij uit de spierzenuw ontstaan waren, kan R. niet bepalen; hij houdt deze voor gevoelzenuwvezels.

T. Kilian [Die Endigutig symputli. Fasern. Zeitschr. f. rat. Med. 1840, Heft II, p. 221) vond zenuwvezel-verdeeling in den uterus; de laatste uiteinden verdwenen spoorloos in het bindweefsel. Na hem hadden GerlaCH [Gewebelehre, p.337), Bnüca (Zeitschr. ƒ W. Zool. I. p. 1U4), Uessung (Fror. Notis. N°, 177, 1849), aan organische en animale spieren, Ecker en Kölliker in de milt zenuwvezelverdeeling gezien. Tot nog toe spraken wij alleen van de verdeeling van beweegzenuwvczels; intusschen is hetzelfde verschijnsel ter zelfder tijd aan gevoelzenuwen waargenomen. Zoo zeide b. v. AVagner in een zijner berigten (1847) reeds, dat in het onderste ooglid van den kikvorsch vertakking van gevoelzenuwvezels door hem gezien was, en bevestigde deze waarneming door herhaald onderzoek [Handwörtb., Lief. XVII. p. 452). Bij bet nog steeds geringe aantal waarnemingen van verdeelii\g der gevoelzenuwvezels wekten die van Czerjiak (Müllers Arcli. 1849, H. III. p. 252, en Zeitschr. f. IV. Zool. 15. II, p. 105J meerdere belangstelling, wijl bij aan de huidzemnven bij den kikvorsch en aan de acusticus bij den steur soortgelijke verdeeling vond; volgens Stannids (Veher 1 heilutiaen der Primitiv-riihren in den Stammen . Aesten Uil(l Zweigen der Nerven, Arch. f. Phys. Ileilk. 1850, Heft I, p. 75) komt zij bij de visschen wel aan de motorische en gemengde cerebrospinaalzenuwen en aan den sympathicus, maar niet aan de zintuigzenuwen voor.

Zenuwvezel-verdeeling werd ook in andere organen opgemerkt (1851): aan de kliertjes der mondholte door Kölliker, in de arachnoidca door Ldschka, terwijl ook het jaar te voren rijken oogst van waarnemingen op dit gebied had opgeleverd. Behalve aan de beide genoemden heeft men aan Czermak, Vaiehtin, II. Muller, Scoaffner , Corti, Gegenracer, Letdig mededeelingen te danken van zenuwvezel-verdeelingcn in de cornea , scleroticn, retina. lig. ciliare, in pecsvliezen , zoo als dunt mater en periosteum, in papillen van de tong, in de huid , in de vagina, in de penis.

In centraalorganen had AVagner vroeger geen verdeelingen gevonden intusschen zouden zij, volgens IIessling (1849), in de hersenen bij visschen voorkomen, en volgens Harless en Schaffner (1850) ook bij de overige gewervelde dieren, voornamelijk op de grens van de grijze en witte zelfstandigheid. Kölliker evenwel bleef omtrent de vezel verdeel ing in het ruggemerg twijfel koesteren, en in de hersenen vond bij deze in het geheel niet (Mikr. Anat. p. 427 en p. 481); wel daarentegen lissen.

Niettegenstaande bet door vertakking in fijne vezeltjes eindigen der zenuvvvczels in zoo vele organen reeds was aangetroffen, moeten echter ook de lissen nog steeds als peripheriscli einde der zenuwvezels blijven gelden. Dit is b. v. het

Sluiten