Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER HET KRAAKBEENWEEFSEL.

MAAKSEL.

De kraakbeenderen behooren tot de vastere deelen des ligchaams, maar bezitten bij hunne hardheid eenen tamelijken graad van elasticiteit en buigzaamheid. Dunne schijven, zoo als de kraakbeenderen van het oor en van den neus , kunnen sterk gebogen worden, zonder te breken; dikkere kraakbeenderen zijn broos; de vlakten op de breuk zijn glad , korrelig of vezelig. De vastheid , even als de kleur van de verschillende kraakbeenderen , die van melkachtig blaauw tot geel afwisselt, hangt van de zamenstelling af. Allen bestaan namelijk uit eene homogene grondstof, die nogtans vezelig worden kan, en uit blaasjes of cellen , die in een grooter 'of geringer aantal, in eene meer of minder bepaalde orde, tusschen de grondstof zijn ingestrooid. Liggen de cellen in eene heldere , doorschijnende zelfstandigheid , dan doet zich het kraakbeen wit of blaauvvachtig wit voor. De vezels daarentegen deelen het eene gele kleur mede, die des te meer in het oog loopt, naarmate het aantal vezels boven dat der cellen de overhand heeft. Het specifieke gewigt van de kraakbeenderen bedraagt 1,15—1,16 (Sciiübler en Kapff).

Men kan de gezamelijke kraakbeenige vormsels in twee groepen verdeelen , naarmate de grondstof homogeen of vezelig is. Kraakbeenderen met eene homogene grondstof noemt men echte of ware kraakbeenderen; die met eene vezelige grondstof worden dienovereenkomstig vezelkraakbeenderen genoemd. Daarbij moet nogtans opgemerkt worden , dat het ook aan overgangen tusschen beide groepen niet ontbreekt, vermits zich aan den eenen kant in de grondzelfstandigheid van eenige ware kraakbeenderen op lateien leeftijd bijna regelmatig vezels ontwikkelen, terwijl aan

Sluiten