Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeen , zonder er op le lellen , of zij afgescheidene wanden bezitten , dan wel of zij eenvoudige cellen zijn, of zelfs nieuwe generaliën van cellen bevatten.

In de rangschikking der kraakbeenholten verloonen de verschillende echte kraakbeenderen vele bestendige eigendominelijkheden. Het kraakbeen, dat de gewrichts-uiteinden der beenderen bekleedt en bij de grootere beenderen eene laag van 2 " dikte vormt, bezit meestal kleine holten, die de cytoblasten nanuw omsluiten. De middellijn der cytoblasten bedraagt zelden meer dan 0,00315'". In ééne holte liggen er 2—4, somtijds echter ook een veel grooter aantal, digt tegen elkander, elk in eene naauwe cel; komen er meer dan twee voor, dan zijn zij gewoonlijk alle in eene overlangsche rij gerangschikt, zoodat de holten den vorm van lange, smalle kanalen hebben, die door in eene rij geplaatste kleine, kernhoudende cellen opgevuld worden. Meckauer zag zulke celrijen ter lengte van 0,125'". Bij de lange rijen was ik enkele malen in de gelegenheid om op te merken , hoe er door smalle bruggen van grondzelfstandigheid onderafdeelingen van telkens twee cellen worden gevormd. De cellen van eene rij zijn vierhoekig , de buitenste somtijds driehoekig , de grondvlakte naar de aangrenzende cel, de top naar buiten gerigt. Digt bij de vrije oppervlakte van het gewrichtskraakbeen liggen de kraakbeenholten met hare langste afmeting in een aan den vrijen rand evenwijdig vlak; zij zijn talrijker dan meer naar binnen, korter en eenigzins afgeplat, zoodat zij op eene loodregt op de vrije vlakte gemaakte doorsnede slechts 0,0025"' hoogte bezitten , terwijl de kleinste afmeting der diepere kanalen niet ligt minder dan 0,006"' bedraagt. Naar binnen toe en in de nabijheid van de vereenigingsplaats met het been worden de holten langer, en hare lengte-as

komt meestal loodregt op de vrije oppervlakte te staan, of in eenen schuinschen , van de perpendiculaire rigting weinig afwijkenden stand. Somtijds ziet men de afzonderlijke holten , ofschoon door breede

tusschenschotten gescheiden , toch zoo boven elkander gerangschikt, dat de hoogere de voortzetting van de onmiddellijk daarop volgende schijnt te zijn ; soms doen zich ook twee, onder eenen scherpen

1 o»

Sluiten